ECLI:NL:PHR:2013:BZ2907
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg minimumloon per oproep bij flexibele arbeidsovereenkomst met korte oproepen
In deze zaak staat de uitleg van artikel 7:628a van het Burgerlijk Wetboek centraal, dat de minimumaanspraak op loon regelt voor oproepkrachten met een arbeidsomvang van minder dan 15 uur per week en onduidelijke werktijden. De werknemer, een taxichauffeur, vordert loon over perioden waarin zij minder dan drie uur werkte, waarbij zij meerdere korte ritten per dag verrichtte.
De rechtbank en het hof oordeelden dat per rit minimaal drie uur loon betaald moet worden, waarbij aaneengesloten ritten binnen 15 minuten als één periode worden gezien. Het hof verwierp de stelling van de werknemer dat voor elke rit afzonderlijk minimaal drie uur betaald moet worden, omdat dit tot dubbele betalingen zou leiden.
De Hoge Raad stelt dat iedere afzonderlijke periode waarin arbeid wordt verricht minimaal drie uur moet beslaan, en dat periodes gescheiden door een gebruikelijke pauze als één oproep worden beschouwd. Indien de onderbreking langer is dan een gebruikelijke pauze, ontstaat een nieuwe oproep met een nieuwe aanspraak op minimaal drie uur loon. Hiermee wordt de cumulatie van aanspraken mogelijk gemaakt, tenzij partijen anders overeenkomen. De uitspraak benadrukt dat werkgevers hun organisatie kunnen aanpassen om dubbele betalingen te voorkomen.
Uitkomst: Art. 7:628a BW moet zo worden uitgelegd dat elke afzonderlijke periode arbeid minimaal drie uur loon oplevert, waarbij periodes gescheiden door een gebruikelijke pauze als één oproep gelden.