ECLI:NL:PHR:2013:BZ2934

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
09/05219
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 2 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie bij medeplegen moord

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 14 december 2009 veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van moord, waarbij is vastgesteld dat verdachte samen met anderen het slachtoffer met voorbedachten rade heeft gedood.

In hoger beroep en cassatie heeft de verdediging aangevoerd dat het bewijs onvoldoende betrouwbaar is vanwege tegenstrijdige en wisselende verklaringen van betrokkenen, maar dit middel faalt omdat het standpunt niet voldoende onderbouwd is. Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase fors is overschreden, met meer dan twee jaar vertraging tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van het dossier bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad concludeert dat deze overschrijding van de redelijke termijn leidt tot strafvermindering. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging van het arrest gevonden, zodat het arrest wordt vernietigd voor zover het de straf betreft en de straf wordt verlaagd, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 09/05219
Mr. Machielse
Zitting 8 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 14 december 2009 voor: medeplegen van moord, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar.
2. Mr. N.C.J. Meijering, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven voor de afwijking van een uitdrukkelijk voorgedragen onderbouwd standpunt over de onbetrouwbaarheid van de getuigen [medeverdachte 3] en [betrokkene 1].
3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:
"zij in de periode van 16 juli 2006 tot en met 20 juli 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met kracht meermalen met een hard voorwerp op het hoofd van bovengenoemde manspersoon geslagen en meermalen met een mes in het lichaam van bovengenoemde manspersoon gestoken, tengevolge waarvan bovengenoemde manspersoon is overleden."
3.3. De pleitnota van hoger beroep noemt de verklaringen van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] over de inbreng van verdachte zeer dubieus. De advocaat heeft als bijlage een overzicht van verklaringen van verdachte, [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] over de planning en de overdracht van het geld aan de pleitnota gehecht, en komt tot de slotsom dat er onvoldoende bewijs is voor het tenlastegelegde.
Maar eerlijk gezegd kan ik in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen onderbouwd standpunt lezen. Van zo een standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv Pro is immers slechts sprake als dat standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren is gebracht.(2) Daaraan ontbreekt het hier mijns inziens. De pleitnota van hoger beroep wijst erop dat alle verklaringen die in deze zaak zijn afgelegd afkomstig zijn van personen die kwetsbaar zijn, een eigen belang kunnen nastreven, dat de verklaringen wisselend van inhoud zijn en zich lijken te ontwikkelen al naargelang de tijd verstrijkt. Over en weer beschuldigen de betrokkenen elkaar. [Medeverdachte 3] en [betrokkene 1] zijn met elkaar opgetrokken, hun verklaringen komen op sommige punten overeen, en op andere weer niet. Ook verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd. Op grond van de afgelegde verklaringen kunnen meerdere scenario's worden getekend. In een van die scenario's is verdachte de kwade genius. Maar de rechter moet, aldus nog steeds de pleitnota, zich niet gaan overgeven aan het interpreteren van motieven en het waarderen van verklaringen die zijn afgelegd door personen die mogelijk zo bedreven zijn in het liegen en bedriegen dat dat ook voor de rechter niet kenbaar is. Ter terechtzitting van 17 november 2009 heeft de advocaat in aanvulling op de pleitnota nog benadrukt dat de verklaringen in deze zaak met bijzonder veel scepsis moeten worden bekeken.
3.4. De geparafraseerde onderdelen van de pleitnota en de mondelinge aanvulling daarop roepen het hof slechts op het bewijsmateriaal met omzichtigheid te beoordelen. Die oproep komt er enkel op neer dat de rechter in deze zaak bijzonder scrupuleus moet omgaan met zijn vrijheid om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Ik wijs er voorts op dat verdachte, blijkens het overzicht dat de advocaat in hoger beroep aan de pleitnota heeft gehecht, naar eigen zeggen wel degelijk geld heeft gegeven aan [medeverdachte 2], zij het minder dan de € 10.000 die hij wilde hebben.(3)
Het eerste middel faalt.
4.1. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, hetgeen tot strafvermindering dient te leiden.
4.2. Het cassatieberoep is op 23 december 2009 ingesteld. Eerst op 12 april 2012 is het dossier ter griffie van de Hoge Raad aangekomen. Tussen beide data zijn twee jaar, drie maanden en 20 dagen verlopen. Niet alleen is de door de Hoge Raad op zes maanden gestelde inzendtermijn - verdachte werd immers in verband met deze zaak nog in voorlopige hechtenis gehouden ten tijde van het instellen van het beroep - fors, met bijna 22 maanden, overschreden, maar ook is thans al ruim drie jaar verstreken sinds het cassatieberoep werd ingesteld. Deze overschrijdingen van de redelijke termijn dienen te leiden tot een verlaging van de opgelegde gevangenisstraf.
5. Het eerste middel faalt. Het tweede middel is gegrond, hetgeen tot verlaging van de opgelegde straf behoort te leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de opgelegde straf betreft en tot verlaging daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met nr. 10/00107 ([medeverdachte 1]), nr. 10/00335 ([medeverdachte 2]) en nr. 10/00456 ([medeverdachte 3]) waarin ik ook vandaag concludeer.
2 HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 m. nt. Y. Buruma.
3 Zie de verklaring die verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 11 februari 2008 heeft afgelegd.