AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor cocaïnehandel en bezit in Volkswagen Polo te Veenendaal
Verdachte werd door het hof veroordeeld voor het meermalen opzettelijk vervoeren, verkopen en aanwezig hebben van cocaïne in een Volkswagen Polo in Veenendaal tussen 2007 en 2009. Het hof baseerde zich op getuigenverklaringen, telefonieonderzoek en de vondst van een etui met 36,62 gram cocaïne naast de handrem van de auto.
De verdediging voerde aan dat de drugs door een neef van verdachte in de auto waren geplaatst, die ook een valse melding bij de politie had gedaan. Het hof verwierp dit verweer, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had onderzocht of de feiten die dit verweer ondersteunen aannemelijk waren geworden en dat verdachte ten onrechte belast werd met het bewijs van aannemelijkheid.
Daarnaast stelde de Hoge Raad dat het hof de verklaring van de zus van verdachte onjuist had geïnterpreteerd en dat de motivering van het bewijs niet altijd voldeed aan de vereisten. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het betrekking had op het bezit van cocaïne en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Arrest hof vernietigd voor bezit cocaïne en strafoplegging, zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.
Conclusie
Nr. 11/04545
Mr. Machielse
Zitting 8 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 7 oktober 2011 voor feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.
2. Mr. J.P.M Denissen, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld. Mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende zes middelen van cassatie.
3. Het hof heeft bewezen verklaard dat
"feit 1:
hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2007 tot en met 05 november 2009 te Veenendaal, meermalen telkens opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
feit 2:
hij op 06 november 2009 te Veenendaal opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 36,62 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel om in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."
4.1. Het eerste middel klaagt over het bewijs van feit 2. De verdediging heeft een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan de rechter voorgehouden te weten dat de etui met cocaïne in de auto daarin is neergelegd door een neef van verdachte die verdachte in een kwaad daglicht heeft willen stellen. Het hof heeft ontoereikend op dit onderbouwde standpunt gereageerd. De verwerping van dit verweer schiet voorts tekort omdat het hof niet heeft vastgesteld of de feiten die aan dit verweer ten grondslag lagen aannemelijk zijn geworden. Het hof heeft zelfs verdachte belast met de opgave de door hem gestelde feiten aannemelijk te maken.
4.2. In zijn arrest heeft het hof overwegingen opgenomen ten aanzien van het bewijs. Het heeft een verweer van de raadsman als volgt weergegeven en verworpen:
"ten aanzien van feit 2:
Verdachte was er niet van op de hoogte dat er cocaïne in de door hem bestuurde auto lag en hij heeft deze drugs ook niet zelf in de auto gelegd. Er zijn sterke aanwijzingen dat een ander dan verdachte dat heeft gedaan, te weten [betrokkene 3], een neef van verdachte, die naar alle waarschijnlijkheid ook de valse telefonische melding ten aanzien van verdachte heeft gedaan op 6 november 2009. [Betrokkene 3] heeft bij zijn verklaringen tegenover de politie, en ook bij de rechter-commissaris, valse verklaringen afgelegd ten aanzien van de vraag wie de melding van 6 november 2009 bij de politie heeft gedaan. Ten onrechte heeft hij ontkend dat hij zelf de melder was. Gelet op de leugenachtigheid en onbetrouwbaarheid van [betrokkene 3] is het zeer aannemelijk dat hij het was die de drugs in de auto van verdachte heeft gelegd. [Betrokkene 3] had daarvoor ook een motief omdat verdachte hem in het verleden heeft ontslagen.
Het hof overweegt als volgt.
(...)
Het hof volgt niet het verweer van verdachte dat er vanuit dient te worden gegaan dat een ander dan verdachte, en wel zijn neef [betrokkene 3], de etui met de wikkels met cocaïne in zijn auto heeft gelegd. Op grond van de jurisprudentie (HR NJ 1987, 493) geldt als hoofdregel dat er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat degene die als enige inzittende over een auto beschikt ervan op de hoogte is welke voorwerpen zich daarin bevinden, tenzij sprake is van aanwijzingen voor het tegendeel. Daarvan is hier geen sprake.
In de eerste plaats heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd ten aanzien van de vraag of er kort voor zijn aanhouding ook nog andere personen in de auto hebben gereden die hij bestuurde (een groene Volkswagen Polo), voordat hij een bezoek aan zijn ouders aflegde aan de [a-straat 1] te Veenendaal. Voorts heeft de zus van verdachte (voor wie de Volkswagen Polo was bestemd) tijdens haar verhoor bij de politie op 15 november 2009 verklaard dat zij op 6 november 2009 met die auto naar de woning van haar ouders in Veenendaal is gegaan en dat haar broer die middag rond 16.00 uur met de Volkswagen Polo is weggereden en dat zij weet dat op het moment dat verdachte die auto meenam de auto helemaal leeg was en er alleen nog autopapieren in de auto lagen.
Verdachte heeft verklaard dat het slot van de auto kapot was en dat zijn neef [betrokkene 3] de drugs dus gemakkelijk in de Volkswagen Polo kon leggen, binnen het korte tijdsbestek dat hij in de woning van zijn ouders was en dat [betrokkene 3] een motief had om dat te doen. Het hof acht deze verklaring van verdachte ook tegen de hierboven genoemde achtergrond van mogelijke onbetrouwbaarheid van [betrokkene 3] en mogelijke bestaande grieven van [betrokkene 3] jegens verdachte in de persoonlijke of zakelijke sfeer, onvoldoende onderbouwd. Daarbij houdt het hof rekening met de omstandigheden dat de hoeveelheid cocaïne die in de auto werd aangetroffen aanzienlijk is geweest, dat de tijdspanne waarbinnen verdachte in de woning van zijn ouders is geweest (tussen ongeveer 15.00 en 16.00 uur) relatief kort is geweest en dat het etui waarin de wikkels met de cocaïne werd aangetroffen voor verdachte in het zicht lag, te weten rechts naast de handrem, in/op het middenconsole, zodat door [betrokkene 3], als hij de cocaïne daar had neergelegd, er niet op kon worden gerektgerekenddat verdachte of een derde de aanwezigheid van het etu, n.et terstond nadat verdachte of een derde de aanwezigheid van het etui, n.et terstond nagerekend dat verdachte of een derde de aanwezigheid van het etui niet terstond na gerekend dat verdachte of een derde de aanwezigheid van het etui niet terstond na het plaatsnemen in de auto zou hebben bemerkt.
De verweren worden verworpen."
4.3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen die in de aanvulling op het korte arrest zijn opgenomen is het volgende af te leiden. Op vrijdag 6 november 2009 om ongeveer 15:20 krijgt de politie melding van een bedreiging met een vuurwapen op de [a-straat] te Veenendaal. Het vuurwapen zou waarschijnlijk in een Volkswagen Polo liggen evenals een etui met drugs. Politieagenten gaan erheen en besluiten te wachten tot de auto vertrekt. De auto vertrekt en wordt aangehouden. Verdachte bestuurde de auto. Rechts naast de handrem bevond zich een etui vol met wikkels met wat achteraf cocaïne bleek te zijn. De totale hoeveelheid cocaïne was 36,62 gram. De zus van verdachte is met deze auto eerst naar het adres van haar ouders in Veenendaal gekomen. Rond 16.00 uur nam verdachte de auto mee om iets te regelen voor de reparatie. Volgens haar was de auto op de autopapieren na helemaal leeg. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij om ongeveer 15.00 uur in de woning van zijn ouders is gekomen en om ongeveer 16.00 uur weer is vertrokken met de Volkswagen Polo van zijn zus.
4.4. In de toelichting op het cassatiemiddel wordt eerst het pleidooi van de advocaat van verdachte geparafraseerd herhaald. Vervolgens geeft de steller van het middel de overwegingen van het hof weer. Daarna wijst de steller van het middel er op dat het hof een wezenlijk onderdeel van het pleidooi onbesproken heeft gelaten, te weten dat de onbetrouwbare [betrokkene 3] de melding aan de politie heeft gedaan, dat deze onbetrouwbare getuige herhaalde malen heeft gelogen, dat deze op de hoogte is geweest van de inhoud van de gesloten etui en dus ook degene moet zijn geweest die de etui in de auto heeft gelegd. Voorts wendt de steller van het middel de uitleg door het hof van de verklaring van de zus van verdachte aan. Dat zich alleen nog autopapieren in de auto bevonden moet betrekking hebben gehad op het moment dat zij de auto bij de woning van haar ouders heeft achtergelaten.
4.5. Ik begrijp de interpretatie door het hof van de bewijsmiddelen en de inhoud van de bewijsoverwegingen aldus dat de zus van verdachte geconstateerd heeft dat zich alleen autopapieren in de auto bevonden op het moment dat verdachte daarmee wegreed en dat het dus verdachte is geweest die de etui met cocaïne hetzij al bij zich droeg, hetzij al ergens anders in de auto had verstopt en nadat hij was weggereden deze tevoorschijn heeft gehaald en naast de handrem heeft gelegd.
Dienaangaande wijs ik op het volgende. Ter terechtzitting van het hof van 23 september 2011 heeft verdachte een verklaring afgelegd. Daarbij heeft de voorzitter aan verdachte onderdelen van het dossier voorgehouden, waarop verdachte heeft gereageerd. De verklaring van verdachte houdt onder meer het volgende in:
"U houdt mij voor dat de verdovende middelen in een etui zaten, dat in het midden van de auto naast de handrem lag dat mijn zus heeft verklaard dat de auto leeg was toen zij hem achterliet, afgezien van de kentekenpapieren."
Uit deze verklaring blijkt hoe de voorzitter de verklaring van de zus van verdachte heeft uitgelegd. De verdediging is er ook van mogen uitgaan dat dit de uitleg was die het hof aannemelijk vond. Als verdachte dan in het arrest leest dat zijn verweer, inhoudende dat zijn neef de etui met cocaïne in de auto moet hebben gelegd voordat verdachte met de auto vertrok, mede wordt verworpen op grond van een andere uitleg van de verklaring van zijn zus, zal hem dit rauw op het dak gevallen zijn. Uitgaande van wat de voorzitter hem heeft voorgehouden heeft verdachte kunnen menen dat ook het hof deze verklaring niet zou kunnen gebruiken ter weerlegging van zijn verweer. Ik kan me voorstellen dat de verdediging zou hebben aangedrongen op verduidelijking door de zus van verdachte, als het hof zou switchen naar de uitleg in die zin dat er volgens de zus van verdachte geen cocaïne in de auto aanwezig was toen verdachte met de auto wegreed.
Dit onderdeel van het middel is mijns inziens terecht voorgesteld. De motivering die het hof aan de verwerping van het verweer ten grondslag heeft gelegd verliest substantieel aan draagkracht als men de verklaring van de zus uitlegt op de wijze waarop de voorzitter dat kennelijk ter terechtzitting ook heeft gedaan.
4.6. De tweede klacht van het eerste middel lijkt mij op zichzelf beschouwd ongegrond. Het hof heeft de feiten die aan het betoog ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk geacht. Uitgaande van de feiten zoals het hof deze heeft vastgesteld heeft het hof in zijn oordeel dat de verklaring van verdachte onvoldoende onderbouwd was tot uitdrukking gebracht, dat de argumenten die de verdediging heeft aangedragen ter ondersteuning van het alternatieve scenario op deze vastgestelde feiten afstuiten. Daarmee heeft het hof niet verdachte belast met het bewijs van de aannemelijkheid van de door de verdediging geschetste toedracht, maar slechts te kennen gegeven dat deze toedracht onvoldoende overtuigend gewicht toekomt in vergelijking met de door het hof gepresenteerde argumenten die daar haaks op staan.
Het eerste onderdeel van het middel slaagt.
5.1. Het tweede middel klaagt dat het hof als bewijsmiddel 11 een proces-verbaal heeft gebezigd, houdende de verklaring van de zus van verdachte terwijl deze verklaring een ongeoorloofde conclusie inhoudt in plaats van een weergave van een waarneming of bevinding. Ik bespreek het tweede middel abstraherend van wat ik over het eerste onderdeel van het eerste middel heb geschreven.
5.2. Bewijsmiddel 11 heeft de volgende inhoud:
"Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 11], brigadier van politie Utrecht, district Heuvelrug, opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige, genummerd PL0950/09-337467, gedateerd 15 november 2009, dossierpagina's 47 en 48, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2], zakelijk weergegeven:
lk heb op dit moment een Volkswagen Polo met het kenteken [AA-00-BB] op mijn naam staan. Ik ben op 6 november 2009 met deze auto naar mijn ouders in Veenendaal gegaan. Rond 16.00 uur nam [verdachte] de auto mee om nog iets te regelen voor de reparatie. Op dat moment was de auto helemaal leeg. Er lagen alleen nog autopapieren in."
5.3. In HR 17 december 1968, NJ 1970, 328(1) werd in cassatie aangevoerd dat het hof ten onrechte voor het bewijs heeft laten meewerken een verklaring van een verbalisant, weergevende dat het hem bekend was, dat hij wist et cetera, zonder dat daarbij ook maar op enigerlei wijze werd aangegeven hoe verbalisant deze wetenschap verworven had. Nergens blijkt of deze verklaring op waarneming of op ondervinding heeft berust. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel omdat het in de verklaring van een getuige ontbreken van een vermelding van de redenen van wetenschap niet verhindert dat de rechter die verklaring kan opvatten als eigen waarneming of ondervinding van die getuigen, omdat een zodanige vermelding niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven.
Of er sprake is van een feit dat uit eigen waarneming of ervaring blijkt, of van een conclusie of ongeoorloofde gissing zal blijken uit de bewoordingen waarin de verklaring is gegoten. Uitlatingen waarin de getuige zegt dat hij dacht dat, vermoedde dat, de indruk kreeg dat et cetera verdienen zeker kritische aandacht. Maar van zo een wankele uitlating is hier geen sprake geweest. Het hof heeft uit de bewoordingen van de getuige kunnen afleiden dat zij heeft vastgesteld dat de auto - op de autopapieren na - helemaal leeg was. Het zou natuurlijk handig zijn geweest als duidelijk was hoe de getuige deze constatering heeft gedaan. Maar strikt nodig is dat niet.
Het middel faalt.
6.1. Ook het derde middel klaagt over de bewijsoverweging van het hof. Daarin heeft het hof gesteld dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, terwijl niet blijkt uit welke bewijsmiddelen deze omstandigheid kan worden afgeleid. Hetzelfde geldt voor het onderdeel van de overwegingen dat de etui voor verdachte in het zicht zou hebben gelegen, te weten rechts naast de handrem in/op het middenconsole.
6.2. Dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd is een omstandigheid die het hof, reagerend op een bewijsverweer, relevant heeft geacht voor de bewezenverklaring van het opzettelijk vervoeren van cocaïne. De rechter kan het dan niet laten bij de vaststelling dat de verklaringen wisselend zijn, maar zal moeten aangeven op welke verklaringen hij het oog heeft en welke onderdelen van deze verklaringen zich onderling niet verdragen.(2) Welke verklaringen van verdachte op welke onderdelen van elkaar verschillen heeft het hof niet duidelijk gemaakt.
Bewijsmiddel 3 houdt in dat de etui is aangetroffen rechts naast de handrem. Het hof heeft dit bewijsmiddel kennelijk aldus gelezen dat de etui direct naast de handrem is gevonden en dus in het zicht van de bestuurder moet hebben gelegen. Dit onderdeel van de bewijsoverweging voldoet dus mijns inziens aan de door de Hoge Raad gestelde eisen.
Het eerste onderdeel van het middel lijkt mij terecht te zijn voorgesteld.
7.1. Het vierde middel klaagt dat het hof gebruik heeft gemaakt voor het bewijs van schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv zonder het gebruik in het bijzonder te motiveren. Het gaat om de bewijsmiddelen 1 en 2. Verbalisanten verwijzen daarin naar hetgeen een onbekend gebleven melder zou hebben gezien.
7.2. Het hof heeft klaarblijkelijk de van de anonieme melder verkregen informatie beschouwd als de aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. Het hof heeft dus de inhoud van de melding niet gebezigd tot het bewijs. Het middel mist dus feitelijke grondslag.(3)
8.1. Ook het vijfde middel klaagt weer over de veroordeling voor feit 2. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zouden onderling tegenstrijdig zijn en daardoor deels niet redengevend zijn voor het bewijs. Zo wordt voor het bewijs gebruikt de verklaring van de zus van verdachte die door het hof aldus is verstaan dat er volgens haar op het moment dat verdachte met de auto wegreed, om 16.00 uur, zich geen drugs in de auto bevonden (bewijsmiddel 11). Maar het hof heeft ook voor het bewijs gebruikt de melding die om 15.25 uur werd gedaan en erop neerkwam dat zich wel drugs in de auto bevonden. Voorts komt de steller van het middel nogmaals terug op de klacht in het vierde cassatiemiddel, in die zin dat voor het bewijs van de aanwezigheid in de auto van de drugs om 15.25 uur wordt teruggevallen op de verklaring van een onbekend gebleven melder. Het hof heeft het gebruik van deze verklaring niet overeenkomstig artikel 360 SvPro gemotiveerd, zodat deze buiten beschouwing moet worden gelaten. En dan blijft er te weinig bewijs over voor een veroordeling van verdachte.
8.2. Het verschil in de tijdstippen die zijn genoemd is niet desastreus, mits men in het oog houdt dat het tijdstip van 15.25 uur is genoemd in een melding die door het hof klaarblijkelijk enkel is opgenomen in de bewijsconstructie om de aanleiding voor het onderzoek duidelijk te maken. Uit de gehele bewijsconstructie van het hof is af te leiden dat het hof het vervoeren en aanwezig hebben van de etui met cocaïne situeert op het moment dat verdachte wordt aangehouden en niet eerder.(4) Onderdelen van de bewijsmiddelen 1 en 2 zijn daarvoor redengevend.
En dan kan de bewijsconstructie van het hof aldus worden verstaan. Er komt een melding om 15.25 uur van de aanwezigheid van cocaïne in de auto. Verbalisanten wachten tot de auto wegrijdt en houden die dan aan. Verdachte is bestuurder van de auto. Naast de handrem wordt een etui aangetroffen met wikkels, die nadien cocaïne blijken te bevatten. Alles aan de melding klopt. De zus van verdachte verklaart dat op het moment dat verdachte wegreed er alleen autopapieren in de auto lagen. Aldus opgezet kan deze bewijsconstructie de bewezenverklaring van feit 2 dragen.
Het middel faalt.
9.1. Het zesde middel klaagt over het bewijs van feit 1. In de eerste plaats twijfelt de steller van het middel aan de redengevendheid van het telefoonverkeer tussen [betrokkene 1 en 2] en een ander telefoonnummer voor het bewijs van dit feit. In de tweede plaats heeft het hof in zijn bewijsoverweging betrokken hetgeen aan het hof ambtshalve bekend is over het belgedrag van drugsdealers. Maar dat kan niet aan enig bewijsmiddel worden ontleend. In de derde plaats mag niet voor het bewijs van feit 1 verwezen worden naar het bewijs van feit 2, nu de bewezenverklaring van feit 2 naar het oordeel van de verdediging ontoereikend met redenen is omkleed.
9.2. In zijn arrest heeft het hof het standpunt van de verdediging weergegeven en dat vervolgens aldus verworpen:
"ten aanzien van feit 1:
Er is sprake van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot en bewezenverklaring. De grote omvang van het aantal telefonische contacten met de zakelijke telefoon van verdachte - zoals deze blijken uit het onderzoek naar het communicatieverkeer - is verklaarbaar door de werkzaamheden van verdachte als koerier en als automakelaar. Uit de verklaringen van de bij de politie gehoorde getuigen [betrokkene 1 en 2] blijkt onvoldoende dat zij het over verdachte hebben. De getuigen [betrokkene 4 t/m 6] zijn in belangrijke mate op hun eerdere verklaringen teruggekomen tijdens hun verhoor bij de raadsheer-commissaris, zodat hun voor verdachte belastende verklaringen bij de politie niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.
(...)
Het hof overweegt als volgt.
Verdachte werd op 6 november 2009 aangehouden naar aanleiding van een telefonische melding. De melder vertelde de politie dat verdachte in het bezit zou zijn van drugs en van een vuurwapen. In de auto waarin verdachte reed werd door de politie geen vuurwapen aangetroffen maar wel onder meer een zwart etui met daarin een hoeveelheid cocaïne, in wikkels verpakt. Tijdens het fouilleren van verdachte zijn vier mobiele telefoons aangetroffen. Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van de zakelijke telefoon van verdachte, met het nummer 06-[003], bleek dat in de periode van 1 september 2009 tot en met 24 november 2009 7311 malen werd ingebeld op dit nummer.
De politie heeft een aantal van deze bellers gehoord als getuigen. Daarbij waren onder meer de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2].
Getuige [betrokkene 1] heeft in voornoemde periode 82 keer ingebeld op de zakelijke telefoon van verdachte. [Betrokkene 1] heeft in reactie op het verzoek van de politie om haar te horen over een man die [verdachte] heet en waar zij van op de hoogte was dat deze was aangehouden, op 14 december 2009 verklaard dat zij ongeveer twee jaar geleden was begonnen met het gebruik van cocaïne en dat zij via via had gehoord dat zij cocaïne zou kunnen kopen bij ene [verdachte]. [Verdachte] is een Marokkaanse man, die in een grote auto rijdt, aldus [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] gebruikte steeds in de weekenden cocaïne; zij belde [verdachte] dan op en kocht telkens verschillende gebruikershoeveelheden cocaïne van hem op willekeurige plaatsen in Veenendaal.
Getuige [betrokkene 2] heeft in voornoemde periode 128 keer ingebeld op het telefoonnummer van verdachte. [Betrokkene 2] verklaarde tijdens zijn verhoor op 16 december 2009 dat hij sinds ongeveer drie maanden telkens met dat telefoonnummer belde, althans een nummer eindigend op de cijfers '20', om cocaïne te kopen. De man die hij dan belde kwam de cocaïne telkens brengen met de auto en de cocaïne werd vervolgens in de auto aan [betrokkene 2] overgedragen. De man had een niet Nederlands uiterlijk.
Uit een aanvullend proces-verbaal van 14 juni 2010, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 9] blijkt dat de politie op 1 juni 2010 respectievelijk 7 juni 2010 de getuigen [betrokkene 1 en 2] nogmaals heeft benaderd met een verzoek om een aanvullende verklaring af te leggen Beide getuigen gaven aan daaraan geen medewerking te willen verlenen.
Het hof acht, anders dan de advocaat-generaal, de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1 en 2] voldoende concreet en gedetailleerd en is van oordeel dat uit hun verklaringen volgt dat zij verdachte op het oog hadden tijdens hun verklaringen ten aanzien van de koop/verkoop van cocaïne. Het hof komt tot deze conclusie nu beide getuigen in een relatief korte periode veelvuldig contact hebben gezocht met het telefoonnummer van verdachte, om, zo blijkt uit hun verklaringen, cocaïne te bestellen. De beschrijving die beide getuigen tijdens hun verhoor aan de politie hebben opgegeven van de persoon die aan hen de cocaïne verstrekte voldoet bovendien aan de uiterlijke kenmerken van verdachte evenals aan zijn (voor-)naam. Op basis van voornoemde getuigenverklaringen in combinatie met het feit dat in de periode van 1 september 2009 tot en met 24 november 2009 een ongewoon groot aantal telefonische contacten heeft plaatsgevonden met de zakelijke telefoon van verdachte (hetgeen, naar het hof ambtshalve bekend is, vaak voorkomt in kringen van drugsdealers) komt het hof, anders dan de advocaat-generaal, tot de overtuiging dat het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen moet worden verklaard. De ten overstaan van de politie afvan de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 4 t/m 6] zullen van de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 4 t/m 6] zullen door het hof niet voor het bewijs worden gebezigd, nu zij op de voor verdachte belastende inhoud van die verklaringen later bij de raadsheer-commissaris grotendeels zijn teruggekomen."
9.3. Het hof heeft verdachte ook veroordeeld voor feit 2, het vervoeren en aanwezig hebben van 36,62 gram cocaïne, in gebruikershoeveelheden verpakt. Het hof heeft dit bij het bewijs voor feit 1 kunnen betrekken, waarbij ik abstraheer van mijn bespreking van de klachten over de veroordeling voor feit 2. Dat het hof is uitgegaan van de periode van 1 september 2009 tot en met 24 november 2009, waarin 7311 maal werd ingebeld op het telefoonnummer van verdachtes gsm is niet zo vreemd gelet op de inhoud van de verklaring van [betrokkene 2] die immers op 16 december 2009 heeft gezegd dat hij ongeveer al drie maanden het nummer van verdachte belde om cocaïne te kopen (bewijsmiddel 8). In die periode van drie maanden heeft [betrokkene 2] 128 maal ingebeld op het nummer van verdachte. Het hof heeft dit klaarblijkelijk ontleend aan de bijlagen die zijn gevoegd bij het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 9], brigadier van politie Utrecht, district Heuvelrug, opgemaakt eindproces-verbaal, genummerd PL0950/09-018179B en gesloten op 19 december 2009. Door de verwijzing in het arrest naar deze bijlagen en de weergave van de inhoud daarvan heeft het hof zich voldoende gekweten van zijn taak om aan te geven aan welk wettig bewijsmiddel is ontleend naar welk toestel hoeveel maal telkens is ingebeld.(5)
9.4. Het hof heeft het bewijs van feit 1 kunnen baseren op de bewijsmiddelen, meer bepaald op de bewijsmiddelen 6 tot en met 8 in relatie tot de bijlagen waarnaar ik zojuist verwees. De tussen haakjes geplaatste zin over het belgedrag van drugsdealers is een marginale opmerking over een gegeven dat aan degenen die professioneel bezig zijn met drugscriminaliteit algemeen bekend is - zelfs, dunkt mij, aan advocaten -, maar die overigens kan worden weggelaten zonder dat aan de bewijsconstructie geweld wordt aangedaan.
Het middel faalt.
10. De eerste onderdelen van het eerste middel en van het derde middel treffen naar mijn oordeel doel. De overige onderdelen en middelen falen en kunnen volgens mij met de aan artikel 81 ROPro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik overigens geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover betrekking hebbend op de beslissingen over de tenlastelegging van feit 2 en de strafoplegging en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie ook HR 9 maart 2010, LJN BK9236, NJ 2010, 162.
2 HR 23 oktober 2007, NJ 2008, 70 m.nt. Borgers; HR 19 januari 2010, LJN BK2884; HR 28 augustus 2012, LJN BX3816.
3 HR 18 november 2003, LJN AJ0517; HR 15 februari 2005, LJN AS1884.
4 Ik realiseer me daarbij dat de melder om 15.25 uur een vooruitziende blik moet hebben gehad als, zoals het hof kennelijk aanneemt, tot 16.00 uur zich geen etui met cocaïne in de auto heeft bevonden en deze etui wel is aangetroffen enige minuten nadien toen verdachte is aangehouden.