ECLI:NL:PHR:2013:BZ2959
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging omzetting voorwaardelijke jeugddetentie in gevangenisstraf
Verdachte werd door het hof veroordeeld voor diefstal met braak en inklimming en kreeg een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd. Daarnaast beval het hof de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 76 dagen, waarbij het hof deze straf omzet in een gevangenisstraf.
De verdediging stelde drie cassatiemiddelen voor, waaronder dat het hof ten onrechte de voorwaardelijke jeugddetentie had omgezet in een gevangenisstraf. De Hoge Raad verwijst naar een eerdere uitspraak (HR LJN AO1751) waarin is bepaald dat de rechter bij de last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke jeugddetentie deze straf niet kan vervangen door een gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het hof de omzetting van de voorwaardelijke jeugddetentie in gevangenisstraf heeft bevolen. Voor het overige wordt het beroep verworpen. De Hoge Raad verstaat dat het hof de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie heeft gelast, zonder omzetting.
De overige middelen worden verworpen, waaronder het middel dat het hof onvoldoende gemotiveerd zou hebben verzet tegen het verweer van verdachte en het middel dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsmiddelen zou volgen. De Hoge Raad bevestigt dat uit de bewijzen kan worden afgeleid dat verdachte nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt bij de inbraak.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover het de omzetting van de voorwaardelijke jeugddetentie in gevangenisstraf beval; de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie wordt gelast zonder omzetting.