ECLI:NL:PHR:2013:BZ2962
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldige betekening dagvaarding en strafoplegging voor herhaald rijden onder invloed
In deze zaak stond de geldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep centraal, evenals de motivering van de opgelegde straf aan verdachte wegens overtreding van artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte werd door het hof veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor acht maanden.
Het eerste cassatiemiddel betrof de klacht dat het hof ten onrechte verstek had verleend zonder expliciet onderzoek naar de geldigheid van de dagvaarding. De Hoge Raad stelde dat uit het vonnis niet altijd hoeft te blijken dat het hof dit onderzoek heeft verricht, tenzij sprake is van nietigheid of een afwijking van verweer of standpunt. Het hof had op basis van de stukken geoordeeld dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend, wat niet onbegrijpelijk was.
Het tweede middel richtte zich op de strafmotivering, waarbij werd aangevoerd dat de straf onjuist was omdat het bewezenverklaarde feit niet binnen twee jaar na een eerdere veroordeling had plaatsgevonden. De Hoge Raad erkende dat de laatste eerdere veroordeling van verdachte dateerde van 26 april 2005 en het feit van 14 oktober 2007 was, dus buiten de 24 maanden. Dit was echter een onderschikt onderdeel van de strafmotivering die als geheel voldoende begrijpelijk was, mede gezien de ernst van het feit en de recidive.
De Hoge Raad verwierp de middelen en vond geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden arrest. Het cassatieberoep werd afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling en strafoplegging blijven gehandhaafd.