Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
ONROERENDE ZAKEN:de boerderij, bestaande uit een woonhuis en bedrijfsgebouwen, ondergrond, erf, tuin en cultuurgrond, (…)
Bezwaardheid
Gemelde onroerende zaken zijn bezwaard met: een eerste hypothecaire inschrijving, (oorspronkelijk) in hoofdsom groot achthonderd twintig duizend euro (€ 820.000,00) ten behoeve van de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V. (…)
(…)
Toegedeeld wordt aan de comparante onder 2.a genoemd alle gemelde onroerende zaken, inclusief de daarbij behorende en hierna te melden referentiehoeveelheid melk, mest en polsuiker en vergunningen, terwijl alle overige vermogensbestanddelen welke tot het maatschapsvermogen behoren, worden toegedeeld aan de comparanten onder 2 genoemd, ieder voor de onverdeelde helft. Gemelde toedelingen aan de comparanten onder 2 genoemd zijn geschied onder de verplichting om alle tot het maatschapsvermogen behorende schulden voor hun rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen, de comparanten sub 1 genoemd deswege vrijwarende.
Omtrent de voldoening van dit bedrag zijn de comparanten overeengekomen als volgt:
a. een gedeelte groot tweeënzestig duizend zevenhonderd achtentwintig euro (€ 62.728,00) wordt geacht te zijn voldaan doordat voor rekening van de comparante onder 2a genoemd komt de latente inkomstenbelastingschuld terzake van de in het verdeelde vermogen begrepen stille reserves, welke schuld wordt gesteld op twintig procent (20%) van de overgenomen en berekend op de wijze zoals vermeld in gemelde aan deze akte gehechte berekening;
b. van het resterende gedeelte van de overnamesom is per dertig april twee duizend vier een gedeelte ad een miljoen tweehonderd twee duizend zeshonderd eenennegentig euro (€ 1.202.691,00) geschonken aan de comparante onder 2a genoemd in verband met het bepaalde in de artikelen 35b en 35c van de Successiewet 1956 en berekend op de wijze zoals vermeld in gemelde aan deze akte gehechte berekening;
zodat resteert als overnamesom een bedrag groot eenhonderd vijftig duizend euro (€ 150.000,00), welk bedrag is voldaan door afstand daarvan door de comparanten onder 1 genoemd, welke afstand door de comparanten onder 2 genoemd wordt aanvaard, zulks tegen schuldigerkenning door de comparanten onder 2 van een bedrag groot eenhonderd vijftig duizend euro (€ 150.000,00) wegens geldlening, zodat de laatstgenoemden (hoofdelijk) schuldig erkennen aan de comparanten onder 1, die bij deze aanvaarden, een bedrag van eenhonderd vijftig duizend euro (€ 150.000,00). (…)
Zoals aan u reeds is meegedeeld veranderd de conserverende aanslag doordat thans lid 3 van artikel 35c Successiewet kan worden toegepast. Hiervoor ontvangt u een conserverende navorderingsaanslag schenkingsrecht welke is bijgevoegd.
LJNBT8861,
NTFR2012/1629 met noot Van Beelen heeft de Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard [20] , en geoordeeld dat de te conserveren waarden moeten worden vastgesteld uitgaande van een liquidatiewaarde van € 1.415.419, een voortzettingswaarde van € 834.389 en een belastinglatentie van € 62.728, welke latentie pro rata aan de verschillende componenten van de te conserveren waarden dient te worden toegerekend. Op grond hiervan heeft de Rechtbank de navorderingsaanslag verminderd door de belaste geconserveerde waarde in de zin van artikel 35c, lid 3, SW, met € 19.368 te verlagen tot € 564.704.
“… van in de verkrijging begrepen vermogensbestanddelen … (…)”
Op de tweede plaats komen blijkens artikel 35b, tweede lid, onderdeel a SW, ook bestanddelen van een gedeelte van een onderneming voor de faciliteit in aanmerking. Het Hof merkt op dat in de wettekst daarbij niet de eis wordt gesteld dat sprake moet zijn van een zelfstandig deel van een onderneming. Ook aldus bezien kunnen de door belanghebbende verkregen activa op grond van de tekst van de wet, afzonderlijk of tezamen, kwalificeren als vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, onderdeel a SW. Nu in artikel 7c URSW uitdrukkelijk wordt verwezen naar de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 35b, tweede lid SW, lijkt het ook voor de toepassing van artikel 7c URSW mogelijk dat de afzonderlijke ondernemingsactiva als vermogensbestanddelen in de zin van die bepaling worden aangemerkt, zonder daarbij de passiva van de onderneming in aanmerking te nemen. De vraag is dan of die passiva nochtans niet meegenomen mogen worden bij het bepalen van de “tegenprestatie” als bedoeld in artikel 7c URSW doordat bij die bepaling uitgegaan dient te worden van het saldo van hetgeen werd verkregen.
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
De kwaliteit van de fiscale bedrijfsopvolgingswetgeving, Fiscaal wetenschappelijke Reeks, Sdu Uitgevers: Den Haag, 2011, blz. 294-304.
NTFR2011/255:
.Dit vindt steun in de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2002 IV, waar van regeringswege onder meer het volgende is opgemerkt:
.Immers, artikel 35c, eerste lid, Sw, ziet op een deel van de totale waarde van de onderneming, niet op een of meerdere specifieke positieve stille reserves. Voorts is het voorwerp van artikel 35c, tweede lid, Sw, exact gelijk aan dat van artikel 35c, derde lid, Sw, zodat reeds om die reden niet kan worden geoordeeld dat het ene artikelonderdeel een grotere aantrekkingskracht op de stille reserves uitoefent dan het andere. Uit de parlementaire geschiedenis van de in de Invorderingswet 1990 opgenomen voorganger van de faciliteit blijkt dat de wetgever daarin de evenredige toerekening van de belastinglatentie voorstond (vgl. II, vergaderjaar 1997–1998, 25 688, nr. 3, blz. 22). De wetgever heeft bij de overbrenging naar de Sw geen systeemwijziging willen aanbrengen en dan is er geen reden om te kiezen voor een andere wijze van toerekening van belastinglatenties. Voorts ziet de rechtbank geen enkel argument dat steun biedt aan de opvatting van verweerder dat stille reserves zich ‘in boekhoudkundige zin aan de top van de waarde bevinden’ - wat dat zou moeten inhouden heeft verweerder overigens niet helder weten te maken - zodat de latente belastingschulden om die reden zouden moeten worden toegerekend aan artikel 35c, eerste lid, Sw.
voortzettingswaarderekening moet worden gehouden met langlopende schulden. Belanghebbende in die zaak heeft de voorzettingswaarde berekend op grond van de zogenaamde discounted cash flow-methode (hierna: DFC-methode) met werkelijke cijfers, waarbij de langlopende schulden in mindering op de voorzettingswaarde zijn gebracht. Bij uitspraak van 3 juni 2009 heeft het gerechtshof te Arnhem overwogen dat de inspecteur zich terecht tegen deze wijze van berekenen van de voortzettingswaarde door belanghebbende heeft verzet. Belanghebbende heeft tegen dat oordeel beroep in cassatie ingesteld. Tevens was bij het gerechtshof te Arnhem in geschil op welke wijze rekening moet worden gehouden met de belastinglatentie over de stille reserves in het ondernemingsvermogen. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij uitspraak van 3 juni 2009 overwogen dat de toerekening van de belastinglatentie aan de verschillende delen van de te conserveren waarde op basis van evenredigheid dient te geschieden. Tegen dat oordeel van het gerechtshof te Arnhem is geen cassatie ingesteld. Deze uitspraak was aanleiding voor de Staatssecretaris om zijn standpunt dat de belastinglatenties aan de top moeten worden verrekend, heeft verlaten. Daartoe is het beleid aangepast; zie onderdeel 4.40 van deze conclusie.
BNB2012/216:
BNB1982/136 overwogen dat de latente belastinschuld die de belastingplichtige verkrijgt in verband met doorschuiving van stille reserves een door de begiftigde op zich genomen verplichting is:
WFR2002/6480:
TFO2002/157 ten aanzien van IB-latentie:
.Indien een onderneming wordt verkregen, kan rekening worden gehouden met een belastingclaim van 20% , bij de verkrijging van aanmerkelijkbelangaandelen met een belastingclaim van 6,25%. Deze percentages moeten de contante waarde van de in de toekomst verschuldigde inkomstenbelasting benaderen. In de literatuur alsook in het rapport van de werkgroep-Moltmaker, wordt ervoor gepleit de belastingschuld op de nominale waarde te stellen. Beargumenteerd wordt dat voor de waardebepaling moet worden uitgegaan van de waarde die het goed bij een veronderstelde verkoop zou opbrengen. Bij een dergelijke verkoop moet men afrekenen over de stille reserves, de goodwill en de fiscale reserves. Het zou dan inconsequent zijn om wel uit te gaan van de veronderstelde verkoopopbrengst, maar geen rekening te houden met de actuele (nominale) belastingclaim. In het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport van de werkgroep-Moltmaker, wordt niet ingegaan op dit voorstel. Het voorstel is ook niet meegenomen in de herziening van de successiewetgeving 2001. Daar werd slechts opgemerkt dat deze materie in een volgende fase van de herziening van de successiewetgeving aan de orde zal komen.
WFR2007/936:
.Dus op het moment dat de begiftigde een geldsom van € 100 000 krijgt geschonken, maar als tegenprestatie danwel zijn auto van € 20 000 aan de schenker moet geven, dan zal er slechts over € 80 000 worden geheven. De vraag is dus of dit voorbeeld ook op deze wijze kan worden toegepast indien ondernemingsvermogen wordt geschonken en als tegenprestatie de belastingclaim wordt "overgenomen". Indien economisch gezien de onderneming en de bijbehorende belastingschuld als één geheel wordt gezien, is dit standpunt zeker verdedigbaar. Echter, de Successiewet 1956 gaat nu juist uit van een zuiver civielrechtelijke benadering. Het ondernemingsvermogen wordt als samenstel van activa geschonken. Stel nu dat bij schenking zonder gebruikmaking van de doorschuiffaciliteit de belastingclaim € 20 000 zou bedragen. Mag deze dan net als de waarde van auto in het eerste voorbeeld in mindering worden gebracht op de schenking op het moment dat wordt doorgeschoven? Ik meen van niet omdat deze belasting niet daadwerkelijk door de begiftigde voor de schenker wordt voldaan. Weliswaar wordt de schenker bevrijd van een latente belastingclaim, maar hier mag nu juist in het systeem van waarderen van ondernemingsvermogen op basis van constante jurisprudentie van de Hoge Raad geen rekening mee worden gehouden.
.Ook in dit kader heerst dezelfde problematiek aangaande een verbijzondering van het inkomstenbelastinglatentiepercentage, afhankelijk van de specifieke situatie.
Bedrijfsvermogen in de Successiewet en het gelijkheidsbeginsel, Amersfoort: Sdu Fiscale & Financiële Uitgevers, 2007, Fiscaal wetenschappelijke reeks, blz. 16 ten aanzien van het bedrijfsvermogen dat in aanmerking komt voor een bijzonder behandeling in de SW:
.Mijns inziens is de regeling voor aftrek van latente inkomstenbelasting evenmin van belang voor de waardering van de latentie. Het past niet binnen het systeem van het schenkingsrecht om bij waardering van de latentieaftrek af te wijken van de waarde in het economische verkeer. Daarbij komt dat de bepaling van het belastbaar bedrag in hoofdstuk II van de successiewet is opgenomen (art. 20 SW Pro 1956 staat in hoofdstuk I). De ‘zakelijke prijs' van de in aanmerking te nemen latentie zal onder andere afhangen van de belastinggrondslag en het (te verwachten) tarief in het situsland van de onderneming of de vaste inrichting.
5.Beschouwing
verplichtingom alle tot het maatschapsvermogen behorende schulden voor hun rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen.” [71] In de aldus vastgelegde ‘verplichting’ zou volgens belanghebbende een relevante tegenprestatie te zien zijn.