ECLI:NL:PHR:2013:BZ3621

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/01381 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van ontnemingsmaatregel en schending redelijke termijn in cassatie

In deze zaak staat de cassatiebeoordeling centraal van een ontnemingsmaatregel opgelegd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarbij aan de betrokkene is opgelegd een bedrag van € 1.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.

Het cassatieberoep richt zich onder meer op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, waarbij de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. De Hoge Raad stelt vast dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden, maar verbindt daaraan geen rechtsgevolg omdat de compensatie in de samenhangende hoofdzaak kan worden toegepast.

Verder worden klachten over de vermeende denaturering van verklaringen van de betrokkene verworpen, evenals het middel dat het hof het bedrag van € 1.000,- ten onrechte als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft aangemerkt. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot vernietiging en wijst het beroep af.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van € 1.000,- blijft in stand.

Conclusie

Nr. 11/01381 P
Mr. Hofstee
Zitting: 15 januari 2013
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 9 maart 2011 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag van € 1.000,- aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 11/01381P en 11/01382. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de betrokkene heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
5. Het middel treft doel. Namens de betrokkene is op 11 maart 2011 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 18 april 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Aan voornoemde vaststelling behoeft evenwel geen rechtsgevolg te worden verbonden, nu de Hoge Raad de compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (welke in cassatie aanhangig is onder nr. 11/01382) kan toepassen. In dat geval kan in de onderhavige zaak met het enkele oordeel dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.(1)
6. Het tweede middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht stelt dat het Hof de door de betrokkene (als verdachte) op 1 januari 2008 tegenover de politie afgelegde verklaring heeft gedenatureerd. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu het Hof die verklaring van de betrokkene niet voor het bewijs van de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebruikt. De tweede klacht keert zich tegen de overweging van het Hof dat de betrokkene bij de politie heeft verklaard dat hij voor de verhuur van de schuur € 1000,00 aan huur heeft ontvangen van een van de twee mannen die op zijn terrein waren(2) en stelt dat het Hof daarmee de op 15 januari 2008 door de betrokkene (als verdachte) bij de politie afgelegde verklaring heeft gedenatureerd. Deze klacht is gelijkluidend aan middel vier in de cassatieschriftuur in de samenhangende hoofdzaak, welk middel mijns inziens faalt. Ik volsta hier met verwijzing naar mijn bespreking van dat vierde middel, met dien verstande dat hetgeen ik in dat verband naar voren heb gebracht mutatis mutandis ten aanzien van de onderhavige klacht heeft te gelden.
7. Het middel is in beide onderdelen tevergeefs voorgesteld.
8. Het derde middel klaagt dat niet begrijpelijk is dat het Hof het door de betrokkene voor de verhuur van de schuur ontvangen bedrag van € 1.000,- als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft aangemerkt.
9. Op mijn beurt begrijp ik werkelijk niet wat niet begrijpelijk is aan het oordeel van het Hof, dat de bedoelde € 1000,00 wederrechtelijk verkregen voordeel is. Meer heb ik er niet over te zeggen, of het zou moeten zijn dat het middel niet noopt tot beantwoording van enige rechtsvraag in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
10. Ook het derde middel is tevergeefs voorgesteld.
11. Het tweede en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.6.3 onder B.), m.nt. Mevis (rov. 3.6.3. onder A, eerste volzin, in verbinding met rov. 3.6.2. onder C is, lijkt mij, hier niet van toepassing nu het door het Hof vastgestelde ontnemingbedrag niet minder beloopt dan € 1.000).
2 Het Hof doelt onmiskenbaar op de op 15 januari 2008 afgelegde verklaring van de betrokkene, in de hoofdzaak als bewijsmiddel 7 gebezigd en als bijlage aan het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting in de ontnemingzaak gehecht.