ECLI:NL:PHR:2013:BZ3623

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/01747
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 451a SvArt. 588 SvArt. 588a SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van verstekverlening wegens onjuiste betekening oproeping in hoger beroep

In deze strafzaak werd de verdachte veroordeeld door het hof wegens meerdere overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 en het niet voldoen aan een wettelijk bevel. De zaak kwam in cassatie bij de Hoge Raad, waarbij onder meer werd betoogd dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep niet rechtsgeldig was betekend, omdat geen afschrift was verzonden naar het door verdachte opgegeven adres in de verklaring als bedoeld in art. 451a Sv.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet had onderzocht of het onderzoek ter terechtzitting geschorst had moeten worden om de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen aanwezig te zijn, wat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop gebaseerde uitspraak. Tegelijkertijd stelde de advocaat-generaal dat de oproeping rechtsgeldig was geschied, omdat verdachte zijn GBA-adres had gewijzigd en het hof terecht verstek had verleend.

De Hoge Raad vernietigde het arrest voor wat betreft de hoogte van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar verwierp het beroep voor het overige. De zaak bevatte ook klachten over het gebruik van een verklaring zonder voorafgaande raadpleging van een raadsman, welke niet ontvankelijk werden verklaard omdat dit niet eerder was aangevoerd.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte betekening van oproepingen en de noodzaak van onderzoek door het hof naar schorsingsmogelijkheden bij afwezigheid van verdachte, conform eerdere jurisprudentie.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafmaat wegens overschrijding van de redelijke termijn en het onderzoek ter terechtzitting wordt nietig verklaard wegens onjuiste betekening van de oproeping.

Conclusie

Nr. 11/01747
Mr. Hofstee
Zitting: 15 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 21 januari 2011 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "1. Opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar, belast met het opsporen of onderzoek van strafbare feiten", "2. Overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994" en "4. Overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een geldboete van € 1000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis (feiten 1 en 4), en een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis (feit 2). Voorts is verzoeker ter zake van de feiten 2 en 4 de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 9 respectievelijk 10 maanden.
2. Namens verzoeker heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4. Het middel treft doel. Namens verzoeker is op 5 april 2011 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 16 mei 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding dient te leiden tot strafvermindering (met betrekking tot de geldboete van € 1000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis).(1)
5. Het tweede middel keert zich tegen de beslissing van het Hof tot verstekverlening.
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 januari 2011 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:
"De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte genaamd:
[Verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
wonende te [woonplaats], [a-straat 1].
is niet ter terechtzitting aanwezig.
De voorzitter deelt mede dat de oproeping van de verdachte in hoger beroep om vandaag ter terechtzitting te verschijnen tevergeefs op het adres aan de [a-straat 1] te Maastricht getracht is uit te reiken en uiteindelijk op 14 december 2010 aan de griffier van de rechtbank 's-Hertogenbosch is betekend. Per post is vervolgens een afschrift verzonden naar het GBA-adres. Bij de verklaring als bedoeld in artikel 451a, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering d.d. 28 juli 2009 heeft de verdachte het adres "[b-straat 1]" opgegeven. Er is niet getracht de oproeping uit te reiken op dit adres.
De advocaat-generaal deelt desgevraagd als volgt mede.
Nu verdachte op de verklaring als bedoeld in artikel 451a, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering een ander adres heeft opgegeven, had moeten worden getracht uit te reiken op dit adres. Naar mijn mening is er dan ook geen sprake van een geldige betekening en moet de oproeping in hoger beroep nietig worden verklaard.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, aangezien verdachte d.d. 21 oktober 2009 - na het invullen van de verklaring als bedoeld in artikel 451a, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering - zijn GBA-adres heeft gewijzigd naar de [a-straat 1] te Maastricht. Voorts vraagt de voorzitter aan de advocaat-generaal of verdachte gedetineerd is.
De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede hiervan niet op de hoogte te zijn.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting teneinde de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen te achterhalen of verdachte gedetineerd is.
Na hervatting van het onderzoek deelt de advocaat generaal als volgt mede.
Verdachte blijkt na onderzoek mijnerzijds heden niet gedetineerd te zijn en ik heb geen signalen ontvangen dat hij recent gedetineerd is geweest. Naar mijn mening is de oproeping derhalve op rechtsgeldige wijze geschied en kan er met de inhoudelijke behandeling worden voortgegaan. Ik vorder dat het hof verstek verleent tegen verdachte.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."
7. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof geen verstek had mogen verlenen tegen verzoeker, nu blijkens de gedingstukken geen afschrift van de oproeping voor de terechtzitting van 7 januari 2011 is verzonden aan het door de verzoeker in zijn verklaring ex art. 451a Sv opgegeven (van zijn GBA-adres afwijkende) adres. Volgens de steller van het middel had gelet op HR 27 september 2011, LJN BR2079, NJ 2011, 457 (met name rov. 2.7.2) moeten worden voldaan aan de verzendplicht als bedoeld in art. 588a, eerste lid, Sv. Kennelijk is het middel gestoeld op de opvatting dat zich in de onderhavige zaak een situatie voordoet waarin de verzendplicht van art. 588a, eerste lid onder c, Sv geldt.
8. Ik merk allereerst op dat het middel niet opkomt tegen het - overigens juiste(2) - oordeel van het Hof dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig aan verzoeker is betekend, maar zich uitsluitend richt tegen 's Hofs beslissing tot verstekverlening. De vraag die voorligt is of er voor het Hof - nu verzoeker niet ter terechtzitting was verschenen - reden bestond het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep te schorsen teneinde verzoeker alsnog in de gelegenheid te stellen bij het onderzoek aanwezig te zijn. Ik meen van niet, waarbij ik mede in aanmerking neem dat de steller van het middel daartoe geen deugdelijke grond aanvoert.
9. Door de steller van het middel wordt kennelijk uit de overweging van het Hof, inhoudende dat verzoeker bij de verklaring als bedoeld in art. 451a, eerste lid, Sv d.d. 28 juli 2009 het adres [b-straat 1] heeft opgegeven, opgemaakt dat het daarbij een adres betreft "waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden" als bedoeld in art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Nog daargelaten dat ik dit niet uit die overweging van het Hof kan afleiden(3), gaat de steller eraan voorbij dat in de zich bij de stukken van het geding bevindende verklaring als bedoeld in art. 451a, eerste lid, Sv d.d. 24 juli 2009 (datum binnenkomst 28 juli 2009) geen enkel door verzoeker opgegeven adres is opgenomen. Deze verklaring houdt - voor zover hier van belang - slechts de naam, voorletters en geboortedatum van verzoeker in.(4) In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
10. Het middel faalt.
11. Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, voor het bewijs heeft gebezigd de verklaring die verzoeker op 14 oktober 2006 heeft afgelegd, nu niet kan blijken dat verzoeker voorafgaand aan het afleggen van die verklaring in de gelegenheid is gesteld om een raadsman te consulteren.
12. Het middel stuit af op de omstandigheid dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat een dergelijke klacht aan het Hof is voorgelegd en dat een zogenoemd Salduz- verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen.(5)
13. Het middel faalt.
14. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.6.2. onder C) m.nt. Mevis.
2 De uitreiking van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 7 januari 2011 is geschied op de wijze als bedoeld in art. 588, eerste lid onder b sub 1° in samenhang met het derde lid onder c, Sv.
3 Het Hof zegt niet dat het om een door verzoeker opgegeven woonadres gaat, noch dat het een adres betreft waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden (als bedoeld in art. 588a, eerste lid aanhef en onder c Sv). Ik permitteer mij op deze plaats nog een opmerking ten overvloede: indien een woonadres ten tijde van de betekening van de oproeping blijkens de GBA achterhaald is, behoeft aan dit achterhaalde adres geen afschrift van de oproeping te worden verzonden (HR 13 januari 2009, LJN BG4240, NJ 2009/59).
4 Ook het aan de verklaring gehechte grievenformulier houdt niet een adres van de verzoeker in. Overigens merk ik op dat in een eerdere (op 3 januari 2007 gedateerde) verklaring als bedoeld in art. 451a, eerste lid, Sv, gericht tegen het vonnis van de Politierechter van 3 januari 2007 - welk vonnis bij (verstek)arrest van 6 november 2007 door het Hof is vernietigd, met nietigverklaring van de behandeling in eerste aanleg - evenmin een adres van verzoeker is opgenomen. Wel is [b-straat 1] (Maastricht) als adres van verzoeker opgenomen in de akte van uitreiking van de mededeling uitspraak (van het vonnis van de Politierechter van 22 augustus 2009).
5 Zie bijvoorbeeld HR 30 juni 2009, LJN BH3084, NJ 2009/351, m.nt. T.M. Schalken.