ECLI:NL:PHR:2013:BZ3641
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontkenning vaderschap te laat ingediend en belanghebbende broer of zus niet ontvankelijk
In deze zaak verzocht een volwassen dochter de ontkenning van het vaderschap van haar wettige, inmiddels overleden vader te erkennen en het vaderschap van een andere man vast te stellen. De rechtbank wees het verzoek tot ontkenning toe, maar het hof verklaarde een zus van de verzoekster ontvankelijk in hoger beroep en wees het verzoek af wegens overschrijding van de wettelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelt dat een broer of zus niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in een procedure tot ontkenning van vaderschap, omdat zij geen rechtstreeks belang hebben bij de afstammingsrelatie van de verzoekster. Het hof heeft dit ten onrechte anders beoordeeld en wordt vernietigd.
Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat de wettelijke vervaltermijn van drie jaar voor het indienen van een verzoek tot ontkenning van het vaderschap ambtshalve door de rechter moet worden toegepast. De verzoekster was reeds in de jaren '70 op de hoogte van het vermoedelijke biologische vaderschap van een ander en diende haar verzoek pas in 2007 in, waardoor het te laat was.
De Hoge Raad wijst er op dat de vervaltermijn niet in strijd is met het recht op family life onder artikel 8 EVRM Pro, mede omdat de meest direct betrokken personen inmiddels zijn overleden. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling zonder dat de zus ontvankelijk wordt verklaard.
Uitkomst: Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap is te laat ingediend en de zus is niet ontvankelijk in hoger beroep.