ECLI:NL:PHR:2013:BZ3924

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/02513
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 452.2 SvArt. VI.2 Procesreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving art. 51 Sv bij hoger beroep en terugverwijzing zaak

In deze zaak heeft het Hof te Amsterdam verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter wegens het niet sluiten van een verplichte motorrijtuigenverzekering. Verdachte stelde beroep in cassatie in, waarbij een advocaat namens hem een cassatieschriftuur indiende.

De Hoge Raad oordeelt dat de vereiste volmacht voor het instellen van cassatie niet volledig was, maar dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid leidt omdat uit de omstandigheden blijkt dat verdachte de wens had om cassatie in te stellen. Echter, bij het hoger beroep is niet voldaan aan art. 51 Sv Pro, dat voorschrijft dat de verdachte en zijn raadsman aanwezig moeten zijn of dat hun afwezigheid gerechtvaardigd moet zijn. Uit het dossier blijkt dat de brief waarin de raadsvrouw zich stelde niet aanwezig was bij het hof, waardoor de dagvaarding niet aan de juiste raadsman is toegezonden.

De Hoge Raad stelt dat de niet-naleving van art. 51 Sv Pro de geldige behandeling van de zaak in hoger beroep buiten aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman in de weg staat. Daarom wordt het arrest van het hof vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting wegens niet-naleving van art. 51 Sv.

Conclusie

Nr. 11/02513
Mr. Vegter
Zitting: 18 december 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Bij arrest van 6 april 2011 heeft het Hof te Amsterdam verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter te Haarlem van 9 december 2008 waarbij hij eveneens bij verstek wegens 'als bezitter van een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden' was veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 2 weken en is verdachte tevens de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 6 maanden.
2. Tegen het arrest heeft de verdachte beroep in cassatie doen instellen. Namens verdachte heeft mr. D.I. van Wel, advocaat te Hellevoetsluis, een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend.
3. Het middel behelst de klacht dat het bepaalde in art. 51 Sv Pro niet is nageleefd.
4. Uit het zich bij de gedingstukken bevindende dubbel van de dagvaarding in hoger beroep blijkt uit een daarop gemaakte handgeschreven aantekening dat op 15 maart 2011 een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is verstrekt aan de raadsman. Bij de gedingstukken bevindt zich een 15 maart 2011 gedateerde brief afkomstig van de griffier van de Sector Strafrecht van het Hof te Amsterdam gericht aan mr. A.A. Bloemberg, advocaat te Haarlem waarin hem onder meer de dag en het tijdstip worden medegedeeld waarop de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen de verdachte zal plaatsvinden. Blijkens een daarop geplaatst stempel is de brief op 22 maart 2011 weer op de griffie van het Hof te Amsterdam ingekomen. Hieruit kan worden opgemaakt dat de brief door de geadresseerde is teruggestuurd. Een verklaring hiervoor is dat de brief was gericht aan de advocaat die hoger beroep heeft ingesteld terwijl - zoals hieronder zal blijken - moet worden aangenomen dat zich in hoger beroep een andere raadsvrouwe had gesteld. De stukken bevatten, met andere woorden, aanknopingspunten voor een vermoeden dat het afschrift van de dagvaarding niet is toegezonden aan de raadsvrouwe die zich in hoger beroep heeft gesteld (vgl. HR 30 september 2008, LJN BD4859 r.o. 3.2.1. en 3.2.2.; HR 8 september 1998, NJ 1998/905 r.o. 5.2.).
5. Aan de cassatieschriftuur is een kopie van een brief gehecht van 17 november 2010 van mr. D.I. van Wel, advocaat te Hellevoetsluis, aan de strafgriffie van het Hof. Deze brief houdt onder meer in:
"Parketnummer 15/960312-08
[...]
Hierbij stel ik mij in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer als raadsvrouwe van [verdachte] te [woonplaats].'
6. Eveneens is aan de cassatieschriftuur een verzendrapport gehecht waaruit is af te leiden dat de hiervoor genoemde brief, die in het rapport is afgedrukt, op 17 november 2010 om 17:10 uur is verzonden naar het nummer 020 5413354, welk faxnummer het nummer is van de strafgriffie van het Hof.
7. Bij de cassatieschriftuur is niet overgelegd een brief van de griffier van het Hof waarin de ontvangst van de hiervoor onder 5 genoemde brief is bevestigd. Een dergelijke ontvangstbevestiging bevindt zich evenmin bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat die brief van de advocaat niet aanwezig was in het dossier dat het Hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in hoger beroep. De inhoud van het genoemde verzendrapport, dat het juiste parketnummer van de zaak in eerste aanleg bevat, biedt voldoende grond voor het ernstig vermoeden dat die brief wel ter griffie van het Hof is ontvangen doch aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt.
In cassatie moet daarom ervan worden uitgegaan dat zich wel een raadsvrouwe had gesteld - te weten mr. Van Wel en niet mr. Bloemberg - en dat het voorschrift van art. 51, tweede volzin, niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis, dat, al wordt dat niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsvrouwe in de weg te staan (HR 8 maart 2011, LJN BO6743 r.o. 2.5; HR 16 juni 2009, LJN BI1375 r.o. 2.5).
8. Het middel is terecht voorgesteld.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugverwijzing van de zaak naar het Hof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG