ECLI:NL:PHR:2013:BZ4098
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over nietigheid vormmerken spijkerbroek Elwood wegens wezenlijke waarde van de waar
Deze zaak betreft een langdurige procedure tussen G-Star International BV en Benetton Group SpA over de geldigheid van vormmerken van de Elwood-spijkerbroek van G-Star. De kern van het geschil is of de vormmerken nietig zijn omdat zij uitsluitend bestaan uit een vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft, hetgeen volgens art. 3 lid 1 onder Pro e van de Merkenrichtlijn en art. 1 lid 2 van Pro de Benelux-Merkenwet (BMW) is uitgesloten.
De Hoge Raad bespreekt eerdere arresten, waaronder het tussenarrest van 2006, het arrest van 2009 en het arrest van het hof 's-Gravenhage van 2011. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld door de wervingskracht die samenhangt met de bekendheid van het merk mee te nemen bij de beoordeling van de wezenlijke waarde van de waar. De Hoge Raad stelt dat een vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft niet door gebruik onderscheidend vermogen kan verkrijgen en dus niet als merk toelaatbaar is.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof 's-Gravenhage en verwijst de zaak terug voor hernieuwd onderzoek naar de toepasselijkheid van de wezenlijke waarde van de waar-uitsluiting, met inachtneming van de juiste maatstaf dat het uiterlijk en de vormgeving door hun fraaiheid of oorspronkelijk karakter in belangrijke mate de marktwaarde moeten bepalen. Tevens wijst de Hoge Raad op de proceskostenverdeling en de toepassing van art. 1019h Rv in het kader van de procedure.
Het incidentele beroep van Benetton over proceskosten wordt verworpen. De Hoge Raad concludeert dat er geen aanleiding is tot verdere prejudiciële vragen aan het HvJ-EU en dat de procedure na verwijzing moet worden voortgezet met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwd onderzoek naar de nietigheid van de vormmerken.