ECLI:NL:PHR:2013:BZ4485

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/05618
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt moordveroordeling en vermindert straf wegens overschrijding redelijke termijn

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf voor moord en vier andere feiten. De verdediging stelde in cassatie onder meer dat sprake was van noodweer of noodweerexces, maar deze verweren werden door het hof gemotiveerd verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat de waardering van het bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden en dat het hof zijn beslissing begrijpelijk heeft gemotiveerd.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden. De stukken werden pas na zes maanden en één maand ingediend, en de uitspraak volgt na meer dan zestien maanden na het instellen van het beroep. Dit leidt volgens vaste rechtspraak tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat betrekking heeft op de strafoplegging en vermindert de straf naar eigen inzicht, terwijl het overige beroep wordt verworpen.

Er zijn geen gronden gevonden voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak. De zaak betreft een belangrijke toetsing van het redelijke termijnbeginsel in cassatie en bevestiging van de bewijswaardering door het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de moordveroordeling en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 11/05618
Mr. Aben
Zitting 22 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 8 september 2011, de verdachte ter zake van: 1. "moord" en 4 andere feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren. Voorts heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Namens de verdachte heeft mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam, cassatie ingesteld. Mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt over de motivering van de onder 1 bewezenverklaarde voorbedachte raad, en over de verwerping van het beroep op noodweer-/noodweerexces.
3.2. De raadsvrouw van de verdachte heeft in hoger beroep vergelijkbare verweren gevoerd. Het hof heeft in een nadere bewijsoverweging uitgebreid en niet onbegrijpelijk uiteengezet dat en waarom het bedoelde verweren verwerpt. Hetgeen in hoger beroep en nu in cassatie wordt aangevoerd, komt erop neer dat de verdachte uit angst en ter zelfverdediging heeft gehandeld, en berust op een andere uitleg van de (gebezigde) bewijsmiddelen dan de interpretatie van het hof. Daargelaten dat die uitleg mijns inziens niet voor de hand ligt gelet op de door het hof vastgestelde gang van zaken, miskent de steller van het middel aldus dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst. Aan die begrijpelijkheid doet niet af dat de verdediging het bewijsmateriaal anders waardeert of uitlegt.
3.3. Het middel faalt.
4.1. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.
4.2. Namens de verdachte, die zich op dat moment in voorlopige hechtenis bevond voor de onderhavige zaak, is op 9 september 2011 cassatieberoep ingesteld. Terecht wijst de steller van het middel erop dat de stukken pas op 8 juni 2012 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Dat betekent dat i.c. sprake is van een overschrijding van de inzendtermijn van zes maanden met een maand. Het middels is derhalve terecht voorgesteld. Ambtshalve merk ik voorts op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden ook in zoverre is overschreden. Een en ander dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
5. Het eerste middel kan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan. Het tweede middel slaagt.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden