ECLI:NL:PHR:2013:BZ4488

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/00551
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt gevangenisstraf bij recidive ondanks gevorderde taakstraf

Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken voor verduistering, waarbij het primair tenlastegelegde werd vrijgesproken. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Verdachte stelde cassatie in tegen het arrest met het middel dat het hof onterecht een zwaardere straf oplegde dan geëist, namelijk een gevangenisstraf in plaats van een taakstraf. Het hof had overwogen dat verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld was voor vermogensdelicten en dat gezien deze recidive een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend was.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof toereikend heeft gemotiveerd waarom een taakstraf niet passend was en waarom een gevangenisstraf is opgelegd. Hoewel onduidelijk is waarop het hof zijn oordeel baseerde dat verdachte een taakstraf niet tot een goed einde zou brengen, is deze overweging van ondergeschikte betekenis. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gevangenisstraf van twee weken wegens verduistering ondanks het verzoek om een taakstraf vanwege recidive.

Conclusie

Nr. 12/00551
Mr. Aben
Zitting 22 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 23 januari 2012, met vrijspraak van het primair tenlastegelegde, de verdachte ter zake van: "verduistering" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Namens de verdachte heeft mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans zonder deugdelijke motivering een zwaardere straf heeft opgelegd dan is geëist.
3.2. Het hof heeft overwogen (a) dat de verdachte zich reeds eerder aan vermogensdelicten heeft schuldig gemaakt en onherroepelijk tot straffen, waaronder vrijheidsbenemende straffen, is veroordeeld, (b) dat thans geen andere straf meer in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf, en (c) dat gelet op de recidive anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, thans niet meer passend is voor afdoening van het onderhavige delict. Aldus heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het een zwaardere straf heeft opgelegd dan is geëist. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het derhalve.
Voor zover blijkens de toelichting wordt geklaagd over de in de strafmotivering opgenomen overweging dat het hof er weinig vertrouwen in heeft dat de verdachte een taakstraf bestaande uit een werkstraf, tot een goed einde zal brengen, geldt het volgende. De steller van het middel wijst er terecht op dat onduidelijk is waarop het hof dat oordeel baseert. Het hof geeft dat niet aan, terwijl ook overigens niet duidelijk is op grond waarvan het hof dit oordeel is toegedaan. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden nu die overweging van ondergeschikte betekenis is in de strafmotivering, en ook zonder die overweging voldoende en niet onbegrijpelijk is gemotiveerd waarom het hof in plaats van de gevorderde werkstraf een gevangenisstraf heeft opgelegd.
3.3. Het middel faalt dus en kan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
4. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak 12/00552 waarin ik heden eveneens concludeer.