ECLI:NL:PHR:2013:BZ4492

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/01047
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 450 lid 3 SvArt. 27 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens onvolkomen volmacht advocaat

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet en stelde hoger beroep in. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de schriftelijke volmacht van de advocaat aan een griffiemedewerker niet voldeed aan de vereisten van instemming met ontvangst van de oproeping en het opgeven van een adres voor toezending van de appeldagvaarding.

De raadsman betoogde dat mondeling aan de eisen was voldaan en dat de formele eisen in deze casus onredelijk en zinloos waren, mede omdat de verdachte en zijn raadsman op de terechtzitting in hoger beroep aanwezig waren en de raadsman verklaarde dat de verdachte wenste rechtsgeldig hoger beroep in te stellen.

De Hoge Raad oordeelde dat hoewel de schriftelijke volmacht niet aan alle formele eisen voldeed, het verzuim gedekt kon worden geacht door de aanwezigheid en verklaring van de verdachte en zijn raadsman op de terechtzitting. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor nieuwe behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 12/01047
Mr. Aben
Zitting: 22 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 29 december 2011 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden van 1 november 2011, waarbij de verdachte wegens 1. "medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 2. "als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
2. Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
4. De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van de rechtbank te Leeuwarden van 1 november 2011 op tegenspraak(1) veroordeeld. Een - zich bij de stukken van het geding bevindende - akte rechtsmiddel houdt in dat op 10 november 2011 ter griffie van de rechtbank te Leeuwarden is verschenen [betrokkene 1], een administratief-medewerkster van de griffie van die rechtbank, die - daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte volmacht - heeft verklaard namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 1 november 2011. Het aan de akte gehechte faxbericht van 10 november 2011, dat is gericht aan de griffier van de rechtbank te Leeuwarden, vermeldt dat mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen, door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden van 1 november 2011 en dat mr. Eckert de griffier heeft verzocht en hiertoe uitdrukkelijk heeft gemachtigd om beroep in te stellen tegen dit vonnis.
5. Op de terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2011 zijn zowel de verdachte als zijn raadsman (mr. Eckert) verschenen. Zoals blijkt uit de op die terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen heeft de raadsman bepleit dat mondeling aan de eisen (voor het rechtsgeldig instellen van hoger beroep) is voldaan en (subsidiair) dat de eisen in deze casus volledig zinloos, doelloos en onredelijk zijn. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Hij heeft telefonisch contact gehad met [betrokkene 1] (de griffier die de appelakte heeft opgemaakt), waarbij mondeling is voldaan aan art. 450, derde lid, Sv, terwijl er nooit enige onduidelijkheid is geweest voor degene die hij heeft gemachtigd. Bovendien kan deze regeling niet van toepassing zijn wanneer iemand voorlopig gehecht is, nu het dan onmogelijk is om je onbereikbaar te houden voor gerechtelijke mededelingen. Daarnaast wordt er geen dagvaarding uitgereikt bij het instellen van het hoger beroep in zaken van de meervoudige kamer, zodat dit in deze zaak ook niet aan de orde was.
Voorts heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in aanvulling op zijn pleitaantekeningen en naar aanleiding van hetgeen de advocaat-generaal had aangevoerd bij dupliek nog betoogd dat hij niet inziet waarom de verdachte niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in zijn hoger beroep. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd. In situaties zoals in casu is kennelijk niet voorzien door het arrest van de Hoge Raad (HR 22 december 2009, LJN BJ3696), terwijl de lijnen bij de noordelijke rechtbanken wat korter zijn dan bij de rechtbanken in de rest van het land. De eis van instemming met de uitreiking van de oproeping aan de griffiemedewerker heeft in casu geen enkel praktisch nut, aangezien dit een volstrekt zinloze en daardoor onredelijke eis is. Ten slotte blijkt uit de akte rechtsmiddel dat het op te geven adres voor toezending van een afschrift van de appeldagvaarding ter sprake is gekomen tijdens het telefoongesprek dat de raadsman heeft gevoerd met [betrokkene 1].
6. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe in de bestreden uitspraak onder het hoofd "ontvankelijkheid van het hoger beroep" onder verwijzing naar de vereisten die voortvloeien uit HR 22 december 2009, LJN BJ3696 het volgende overwogen. De schriftelijke volmacht van de raadsman voldoet niet aan alle eisen die de Hoge Raad daaraan stelt, nu de schriftelijke volmacht niet inhoudt dat de verdachte ermee instemt dat de medewerker van de griffie aanstonds de voor de verdachte bestemde oproeping in ontvangst neemt, terwijl evenmin een adres is opgegeven voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding. Bovendien ziet het hof in de door de raadsman ter zitting naar voren gebrachte argumenten geen aanleiding om hiervan af te wijken.
7. Ook een advocaat kan schriftelijk hoger beroep instellen op de wijze die is voorzien in art. 450, derde lid, Sv. De daartoe vereiste schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker moet het volgende inhouden: (i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep; (ii) de verklaring dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep; en (iii) het door de verdachte opgegeven adres voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding.(2) In aanmerking genomen dat het faxbericht van 10 november 2011 van mr. H.P. Eckert niet inhoudt dat de verdachte heeft ingestemd met het door de griffiemedewerkster in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep en evenmin het door de verdachte opgegeven adres bevat voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding, is in het onderhavige geval niet voldaan aan de tweede en de derde voorwaarde. Aan de eerste voorwaarde is overigens wel voldaan, nu het faxbericht vermeldt dat mr. Eckert door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd om hoger beroep in te stellen.
8. Gelet op de ratio achter de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen - te weten de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep, die tot doel heeft problemen met betrekking tot de betekening van de appeldagvaarding te voorkomen althans te verminderen - bestaat evenwel onvoldoende reden voor de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op de grond dat de volmacht niet aan alle voormelde voorwaarden voldoet in het geval de verdachte of een gemachtigde raadsman is verschenen op de terechtzitting in hoger beroep en deze aldaar - zo nodig desgevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) op te komen in hoger beroep. In zo'n geval kan een dergelijk verzuim voor gedekt worden gehouden.(3)
9. In aanmerking genomen dat op de terechtzitting in hoger beroep zowel de verdachte als zijn raadsman zijn verschenen en de raadsman aldaar onder meer heeft aangevoerd dat mondeling aan de eisen voor het rechtsgeldig instellen van hoger beroep is voldaan, de eisen in dit geval volledig zinloos, doelloos en onredelijk zijn en dat hij niet inziet waarom de verdachte niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in zijn hoger beroep, kunnen de door het hof genoemde gronden waarop de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep steunt die beslissing niet dragen. Uit de aanwezigheid van de verdachte op die terechtzitting en hetgeen door de raadsman is bepleit kan immers worden afgeleid dat aan de verlening van de onvolkomen volmacht de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om op rechtsgeldige wijze hoger beroep te doen instellen.(4)
10. Het middel slaagt.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Leeuwarden teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Blijkens het verkorte vonnis zijn op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 oktober 2011 zowel de verdachte als diens raadsman (mr. H.P. Eckert) verschenen.
2 Vgl. HR 24 mei 2011, LJN BP4479, NJ 2011/261, rov. 2.4.1 en HR 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010/102, m.nt. Borgers, rov. 3.6.
3 Vgl. HR 27 november 2012, LJN BY1230, rov. 2.5 en HR 20 maart 2012, LJN BV6999, NJ 2012/426, m.nt. Bleichrodt, rov. 2.5-2.7.
4 Vgl. HR 27 november 2012, LJN BY1230 en HR 20 maart 2012, LJN BV6999, NJ 2012/426, m.nt. Bleichrodt.