ECLI:NL:PHR:2013:BZ4496

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
01692/07 Hs
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens onbetrouwbare geuridentificatieproef bij beroving taxichauffeur

In de nacht van 15 mei 2002 werd een taxichauffeur in Zwolle gewelddadig beroverd door drie mannen die de taxi wilden stelen. De aangever verloor het bewustzijn na een worsteling waarbij een kabelslot om zijn keel werd getrokken en hij werd mishandeld met een voorwerp. De verdachte gebruikte een valse naam en ontkende betrokkenheid, maar twee medeverdachten verklaarden dat zij samen met hem de beroving hadden beraamd en uitgevoerd.

Er werd een geuridentificatieproef uitgevoerd met geurdoeken van het met bloed besmeurde kabelslot, die positief was voor de verdachte. Later bleek uit intern onderzoek dat in de periode 1997-2006 bij geuridentificatieproeven door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland regelmatig niet volgens protocol was gewerkt, waardoor de betrouwbaarheid van deze proeven twijfelachtig is.

De verdachte verzocht om herziening van zijn veroordeling op grond van deze onregelmatigheden. De Hoge Raad oordeelde echter dat er naast de geurproef voldoende bewijs was, waaronder verklaringen van medeverdachten, die zonder de geurproef tot dezelfde bewezenverklaring zouden leiden. Daarom was er geen ernstig vermoeden dat de verdachte zonder de geurproef vrijgesproken zou zijn.

De Hoge Raad wees het herzieningsverzoek af en bevestigde de eerdere veroordeling tot zeven jaar en zes maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van poging tot doodslag, zware diefstal met geweld en verboden wapenbezit. De zaak illustreert de zorgvuldigheid die vereist is bij het gebruik van geuridentificatieproeven als bewijs en de toetsing van nieuw bewijs in herzieningsprocedures.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen omdat voldoende ander bewijs de veroordeling ondersteunt ondanks onregelmatigheden bij de geuridentificatieproef.

Conclusie

Nr. 01692/07 Hs
Mr. Fokkens
Zitting 22 januari 2013
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijke uitspraak van 6 februari 2004 wegens 1. subsidiair "medeplegen van poging tot doodslag", 2. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, geplaagd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft" en 3. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden.
2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. F.L. Lischer, advocaat te Almere.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van een in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproef.
4. Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Zwolle-Lelystad van mei 2007, inhoudende -kort gezegd- dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt. Daardoor zouden de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.
5. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.(1) De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van een tenlastegelegd feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.
6. Het Hof heeft volstaan met een verkort arrest. Voorts bevinden zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken naast het verkort vonnis de aanvulling verkort vonnis van de Rechtbank en het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank. Het voorgaande brengt mee dat nu geen arrest voorhanden is waarin de bewijsvoering van het Hof is opgenomen, het gestelde novum moet worden bezien in het licht van het in het dossier aanwezige, tijdens het voorbereidend onderzoek vergaarde, bewijsmateriaal en aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het novum een ernstig vermoeden oplevert dat het Hof, ware het daarmee bekend geweest, aanvrager zou hebben vrijgesproken.
7. Uit het dossier blijkt dat geen geuridentificatieproef heeft plaatsgevonden ten aanzien van feit 3, onder parketnummer 07-060485-02. Dit betekent dat het hiervoor onder 5 bedoelde geval zich in zoverre niet voordoet en geen sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager vanwege de onregelmatigheden in geuridentificatieproeven van dit tenlastegelegde feit zou hebben vrijgesproken. In zoverre is de aanvrage ongegrond.
8. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid:
a. In de nacht van 15 mei 2002 heeft te Biddenghuizen een gewelddadige beroving van de aangever [slachtoffer], taxichauffeur bij [A] te Zwolle, plaatsgevonden.(2)
b. De aangever verklaart dat hij in de nacht van 14 mei 2002 op 15 mei 2002 omstreeks 02.25 uur op de kruising van de Potgietersingel en de Luttekestraat te Zwolle drie jongens in zijn taxi heeft meegenomen en deze personen vervolgens naar Harderwijk Six Flags heeft gebracht. Aangekomen aan de rotonde voor Six Flags aan de Spijkweg is de aangever gestopt om uit te leggen waar ze zich bevonden.(3) Op dat moment heeft de man die achter de bestuurdersstoel zat een kabelslot om de keel van de aangever heen getrokken en hem vervolgens hard naar achteren getrokken zodat de aangever bijna geen lucht meer kreeg. Gedurende de worsteling tussen de aangever en de drie mannen die volgde heeft de aangever het bewustzijn verloren. De aangever kwam weer bij zijn positieven toen hij in een sloot lag. Er werd toen hard tegen hem geschopt. Ook werd er enkele malen met een voorwerp op zijn hoofd geslagen. De aangever heeft niet meer verbaal gereageerd en hierop zijn de mannen weggegaan. Na enkele pogingen is het de aangever gelukt uit de sloot te komen waarna hij het parkeerterrein is opgelopen om te roepen om hulp. Toen niemand reageerde heeft hij zich begeven naar het nabij gelegen bungalowpark, alwaar hij is geholpen door de bewoners.(4)
c. De aanvrager verklaart dat hij de naam [naam] heeft gebruikt en dat zijn echte naam [aanvrager] is.(5) Voorts ontkent de aanvrager zijn betrokkenheid bij de onderhavige feiten.(6)
d. Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat hij tezamen met de aanvrager en de medeverdachte [medeverdachte 2] op de betreffende dag op het idee zijn gekomen een taxichauffeur te beroven en vervolgens de taxi te verkopen omdat ze geld nodig hadden. Tevens verklaart hij dat hij zelf het idee had de taxichauffeur dood te maken of uit te schakelen.(7) Hierop hebben de verdachten de taxi van de aangever aangehouden en zich naar Six Flags laten rijden. [Medeverdachte 1] heeft plaats genomen op de bijrijdersstoel, medeverdachte [medeverdachte 2] zat achter hem en de aanvrager zat achter de taxichauffeur.(8) Voorts verklaart [medeverdachte 1] dat, aangekomen bij Six Flags, de persoon die achter de taxichauffeur zat een kabelslot om het hoofd en de nek van de taxichauffeur heeft getrokken. Nadat de taxichauffeur bewusteloos raakte, heeft [medeverdachte 1] hem uit de auto getrokken en heeft hij de kabel die de taxichauffeur nog om zijn nek had weggegooid. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] de taxichauffeur naar een watertje gesleept. Daar is de taxichauffeur geschopt en door [medeverdachte 2] tegen het hoofd geslagen met een portfles. Na dit alles laten ze de taxichauffeur achter en alle drie de verdachten stappen in de taxi waarmee de aanvrager richting België rijdt.(9)
e. Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart dat hij op de desbetreffende avond tezamen met de aanvrager en de medeverdachte [medeverdachte 1] per trein naar Zwolle is afgereisd. Ze hebben daar een taxi aangehouden en zijn alle drie ingestapt. [Medeverdachte 2] zat achter de bijrijdersstoel, de aanvrager zat achter de taxichauffeur en de medeverdachte [medeverdachte 1] zat op de bijrijdersstoel.(10) [Medeverdachte 2] verklaart dat de drie mannen van tevoren hadden besproken de taxichauffeur uit te schakelen omdat ze de taxi mee wilden nemen. Ze waren het eens over deze aanpak.(11) Voorts verklaart [medeverdachte 2] dat de aanvrager een soort kabel om de nek van de taxichauffeur heeft gedaan en vervolgens zijn keel hiermee heeft dicht getrokken.(12) Hierop ontstond een worsteling. Ze hebben de taxichauffeur uit de auto geduwd en naar de sloot gesleept. [Medeverdachte 2] heeft de taxichauffeur met een portfles op het hoofd geslagen waardoor de fles stuk ging.(13) [Medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de taxichauffeur tevens geschopt tegen zijn romp.(14) Vervolgens zijn de drie verdachten met de taxi naar België gereden.(15)
f. Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van het met bloed besmeurde kabelslot wat is aangetroffen op de plaats delict.(16) De geuridentificatieproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(17)
9. Het dossier bevat naast de positieve geuridentificatieproef voldoende bewijsmateriaal om tot een bewezenverklaring te komen. Beide mededaders verklaren dat zij tezamen met de aanvrager voornemens waren een taxichauffeur te beroven, dat de aanvrager de persoon is geweest die het kabelslot om de keel van de aangever heeft gebonden en dat ze tezamen met de taxi naar België zijn gereden. Daaruit kan met voldoende mate van waarschijnlijkheid worden afgeleid dat, ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef in aanmerking te nemen, de aanvrager een van de personen is geweest die het tenlastegelegde hebben gepleegd.
Onder die omstandigheden rijst niet het ernstige vermoeden dat het Hof ware het op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geuridentificatieproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze is uitgevoerd, tot een vrijspraak van tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592, rov. 5.3.2).
10. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage als ongegrond zal afwijzen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591.
2 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-8.
3 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-8.
4 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-9.
5 Zie het proces-verbaal ter terechtzitting, Rechtbank Zwolle zitting houdende te Lelystad van 22 oktober 2002 en het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-158.
6 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-158 en 2002027674-159.
7 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-121.
8 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-97 en 2002027674-98.
9 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-121.
10 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-109.
11 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-122.
12 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-109 en 2002027674-110.
13 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-109 en 2002027674-116.
14 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-122.
15 Zie het proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer 2002027674-109.
16 Zie het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2002027674-23.
17 Zie het proces-verbaal van de geuridentificatieproef, proces-verbaalnummer 27.06.02.10.00.PAUMAR.