ECLI:NL:PHR:2013:BZ5376
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn en geldigheid inleidende dagvaarding bij uitlokking valsheid in geschrift
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling door het Gerechtshof Arnhem wegens uitlokking tot valsheid in geschrift. Verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. In cassatie werd onder meer betoogd dat de redelijke termijn was overschreden en dat de inleidende dagvaarding nietig was omdat deze niet naar het juiste buitenlandse adres van verdachte was verzonden.
De Hoge Raad constateert dat de cassatieprocedure de termijn van acht maanden heeft overschreden, maar acht dit gelet op de opgelegde straf niet reden voor meer dan een constatering. Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat de dagvaarding en oproeping correct zijn betekend aan het toenmalige GBA-adres van verdachte in Duitsland en aan zijn raadsman, en dat verdachte tijdig op de hoogte was van de strafvervolging. Het verweer van nietigheid wordt daarom verworpen.
Daarnaast wordt het bewijs besproken waaruit blijkt dat verdachte zelf betrokken was bij de uitlokking en niet zijn vader, zoals hij had aangevoerd. De Hoge Raad vindt de bewijsmiddelen voldoende en verwerpt ook dit middel. Het cassatieberoep wordt geheel verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens uitlokking tot valsheid in geschrift blijft in stand.