4.12. In de literatuur is over de raadsman als getuige onder meer het volgende opgemerkt.
Nederburgh noteert:(6)
"Behalve de voormelde kategorieën van personen, zijn er nog enkele personen, die geacht worden niet als getuigen gehoord te mogen worden, al is dit niet uitdrukkelijk bepaald. Deze opvatting berust deels op een formeelen grond, deels op het vermoeden van onbetrouwbaarheid.
De formeele grond is de onvereenigbaarheid van het getuige zijn met een andere hoedanigheid, in welke zij zouden moeten optreden bij het gerechtelijk onderzoek. Men neemt aan, dat het niet mogelijk is tegelijk beklaagde en getuige, openbaar aanklager en getuige, rechter (of griffier van dezen) en getuige te zijn, maar dat iemand wel tegelijk deskundige en getuige kan zijn. Dubieus is het of men tegelijk rechtskundig raadsman van den beklaagde en getuige kan zijn. Zoo men tevens als zijn gemachtigde voor hem verschijnt, wordt dit van een formeel standpunt zeker moeilijk.
Het formeele standpunt zou overigens van minder belang zijn, als er geen andere bezwaren bestonden. Zoodra de wet het maar geoorloofd verklaarde, zou elk formeel bezwaar dan zijn opgeheven. Overigens ligt het voor de hand dat een vereeniging van eenige der genoemde hoedanigheden met het zijn van getuige, ook al was zij geoorloofd, waar mogelijk zou moeten worden vermeden, daar zij allicht eenige stremming teweegbrengt. Gewoonlijk zal het wel mogelijk zijn een ander dan dengeen, wiens getuigenis noodig is, als rechter te doen fungeeren, of als openbaar vervolger, en ook zal meestal het noodige bewijs wel zijn te verkrijgen zonder den beklaagde of verdediger tevens als getuige in een zaak te betrekken, maar dit zal niet altijd mogelijk zijn zonder den goeden gang der justitie te benadeelen. Zelfs het belang van den beklaagde kan er mee gemoeid zijn.
Het vermoeden van onbetrouwbaarheid (partijdigheid) is meer bepaald gericht tegen den beklaagde, den openbaren aanklager en - zoo men dezen ook uitgesloten acht - tegen den raadsman-verdediger. Deze kunnen in zekeren zin als niet onpartijdig worden beschouwd, de eerste twee omdat zij de zgn. partijen zijn, de belaagden en hun verdedigers omdat zij belang hebben bij den uitslag van het proces. Al deze redenen mogen en zullen een rechtschapen mensch echter nog niet beletten de waarheid te zeggen, en het kon evenals ten aanzien der andere gehoorde personen - die ook niet altijd onpartijdig en betrouwbaar zijn - aan 's rechters oordeel worden overgelaten, òf en hoeveel geloof aan de zgn. partijen mag worden geschonken. (...) "
Blok en Besier schrijven: (7)
"Enkele personen zijn er, die, hoewel niet uitdrukkelijk uitgesloten, toch ten gevolge van het onderling verband der wetsvoorschriften niet als getuigen gehoord kunnen worden. In de eerste plaats moet de verdachte zelf als zoodanig genoemd worden. (...)
Eindelijk kunnen ook de Rechters, die over de zaak oordeelen, niet als getuigen gehoord worden, omdat er steeds drie zitting moeten hebben, wat niet het geval is, zoolang een hunner als getuige optreedt, en deze zich niet gedurende dien tijd door een ander kan doen vervangen, daar het geheele onderzoek voor dezelfde personen moet plaats vinden.
Dit geldt echter wederom niet voor de overige bij het geding betrokken leden der rechterlijke macht, den O.v.J. en den Griffier, noch voor den raadsman, die zich immers tijdelijk kunnen doen vervangen. Tegen het hooren van deze personen als getuigen bestaat derhalve geen wettelijke bezwaar. Wel zullen zij zich hebben te onderwerpen aan de voorschriften van art. 283, lid 1 en 291, lid 2, en daardoor, totdat hun verhoor is afgeloopen, verhinderd worden hunnen functieën zelf waar te nemen. Reeds hierom zullen zij er wel steeds de voorkeur aan geven, wanneer zij als getuigen geroepen zijn, zich voor het geheele geding door anderen te doen vervangen, gelijk de Rechters in dat geval steeds moeten doen. Overigens behooren uit den aard der zaak beide partijen er zich van te onthouden, personen, waarvan het hun bekend is, dat zij als lid der rechterlijke macht of als raadsman in de zaak betrokken zullen zijn, als getuigen op te roepen, wanneer die niet beslist noodzakelijk is."
Mols is de volgende mening toegedaan:(8)
"De wet verbiedt niet om de raadsman als getuige te horen. Het heeft niet zoveel zin om de raadsman van de verdachte in de strafzaak tegen zijn cliënt als getuige te horen omdat de raadsman zich op zijn verschoningsrecht zal kunnen en mogen beroepen als het gaat om informatie die tot hem is gekomen in zijn hoedanigheid van raadsman. Dat neemt niet weg dat zich situaties kunnen voordoen waarin de raadsman zichzelf aanbiedt om als getuige een verklaring af te leggen. De vraag is of dat gewenst is gegeven de bijzondere positie van de raadsman als verlengstuk van de verdachte. Denkbaar is de situatie waarin de raadsman ter voorbereiding van de zaak met een voor de verdachte ontlastende getuige heeft gesproken. Vóór de behandeling ter zitting is de getuige overleden of om andere redenen niet (meer) beschikbaar. In die gevallen kan de raadsman als getuige verklaren wat hem ter ore is gekomen. Gelet op de bijzondere positie van de raadsman, vertrouwenspersoon en verdediger van de verdachte, en gelet op de omstandigheid dat de raadsman een en ander ook bij pleidooi aan de orde kan stelen, zal van het recht om als getuige te worden gehoord een terughoudend gebruik moeten worden gemaakt. Dat vloeit voort uit de wenselijkheid de rolverdeling in het strafproces ook naar buiten toe zo helder mogelijk te houden, maar ook uit de taak van de raadsman: het behartigen van de belangen van zijn cliënt. Door zich als getuige op te werpen loopt de raadsman een zeker risico dat hem vragen worden gesteld waarop het antwoord zijn cliënt niet in alle gevallen helpt. Bovendien maakt het noodzakelijk beroep op het verschoningsrecht bij die vragen waarop het antwoord wellicht minder positief voor de verdachte uitvalt, bepaald geen sterke indruk en kan de positie van de verdachte erdoor worden geschaad.
Er is nog een probleem dat zich kan voordoen namelijk dat het OM of de rechtbank van oordeel is dat de raadsman nog langer als getuige beschikbaar moet blijven of eventueel met andere getuigen moet worden geconfronteerd. In die constellatie kan de raadsman in problemen komen omdat hij te zeer als getuige in de zaak wordt betrokken, waarbij onmiddellijk bijvoorbeeld bij een confrontatie de vraag rijst wie uit oogpunt van de verdediging aan de getuigen vragen stelt. Kortom, er is alle reden voor de advocatuur om zich in deze kwestie terughoudend op te stellen. De raadsman zou zich eigenlijk alleen als getuige mogen opwerpen als dat (uiteraard) in het belang van zijn cliënt is, en het optreden als getuige op dat moment onvermijdelijk is bijvoorbeeld omdat de verklaring niet met behulp van een ander als getuige in de zaak kan worden geïntroduceerd. Daarbij zal de raadsman zich er terdege rekenschap van moeten geven dat hij gelet op het belang van zijn cliënt enig risico loopt. Bovendien zal hij zich indien van tevoren vaststaat dat hij zich als getuige zal laten horen, zo mogelijk als raadsman moeten laten vervangen, niet alleen uit oogpunt van helderheid van rollen maar ook om het risico voor de cliënt zo gering mogelijk te doen zijn, zo niet volledig uit te sluiten en diens belangen zo optimaal mogelijk te (doen) behartigen. (...) "
Garé schrijft:(9)
"Wat de raadsman betreft, in het algemeen neemt men aan dat ook deze niet als getuige in het strafproces mag worden gehoord. Dit standpunt is juist. Het vertrouwelijke karakter van zijn functie - dat bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in het aan de advocaat toegekende verschoningsrecht - staat daaraan in de weg. Dit vertrouwelijk karakter is principieel onverenigbaar met de spreekplicht van de getuige. Bovendien is de raadsman zozeer betrokken bij en dienstbaar aan de belangen van de verdachte die hij heeft te behartigen, dat een cumulatie van hoedanigheden van raadsman (verdediger) en getuige hem zou plaatsen in een dubbelrol die behoort te worden vermeden. Evenmin als van de verdachte zelf mag dus van hem een verklaring in de hoedanigheid van getuige worden gevergd."
Corstens ten slotte merkt op (en Wöretshofer sluit zich daarbij aan):(10)
"Gelet op de positie van de raadsman als verlener van bijstand aan de verdachte en het onthouden van de getuigenrol aan de verdachte, is het raadzaam ook de raadsman niet als getuige te laten optreden. Hij zou bovendien, ware het anders, al snel op zijn verschoningsrecht beroep moeten doen."