ECLI:NL:PHR:2013:BZ5401

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/00615
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14j SvArt. 77dd SrArt. 77ee Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep en cassatie tegen beslissing tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke jeugddetentie

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Gravenhage van 16 mei 2011. Deze beslissing betrof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van drie maanden, welke was vervangen door een gevangenisstraf van gelijke duur.

Namens de veroordeelde werd cassatieberoep ingesteld tegen deze niet-ontvankelijkverklaring door het hof. De Hoge Raad overweegt echter dat op grond van artikel 14j, eerste lid tweede volzin, in verbinding met artikel 77ee, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging van een straf die geen deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van andere strafbare feiten, geen rechtsmiddel openstaat.

Dit betekent dat het hof terecht de veroordeelde niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep en dat ook cassatieberoep niet mogelijk is. De door de veroordeelde aangevoerde bezwaren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep en cassatieberoep kunnen hieraan niet afdoen. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het beroep.

Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en cassatie tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie.

Conclusie

Nr. 12/00615
Mr. Aben
Zitting: 22 januari 2013
Conclusie inzake:
[Veroordeelde]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij beslissing van 20 januari 2012 de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Gravenhage van 16 mei 2011(1), waarbij de rechtbank bij verstek de tenuitvoerlegging heeft gelast van een bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 19 juni 2008 aan de veroordeelde voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van drie maanden en waarbij de rechtbank voorts deze jeugddetentie heeft vervangen door een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
2. Namens de veroordeelde heeft een administratief ambtenaar bij het hof beroep in cassatie ingesteld(2) en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Aan de bespreking van het middel kom ik gelet op het navolgende niet toe. Het beroep in cassatie betreft de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de veroordeelde in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de op de voet van art. 77dd, eerste lid onder a, Sr gegeven beslissing tot tenuitvoerlegging van een straf die voorwaardelijk was opgelegd bij vonnis van de rechtbank. Deze beslissing maakt geen deel uit van een uitspraak ter zake van andere strafbare feiten. Ingevolge art. 14j, eerste lid tweede volzin, Sr in verbinding met art. 77ee, eerste lid, Sr staat tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging, voor zover zij geen deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van andere strafbare feiten, geen rechtsmiddel open. Dat brengt enerzijds mee dat het hof de veroordeelde terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep en anderzijds dat voor de veroordeelde ook geen beroep in cassatie openstaat. Hetgeen in de toelichting op het middel ten aanzien van de ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep en het cassatieberoep wordt aangevoerd, doet hieraan niet af. Gelet op het voorgaande kan de veroordeelde niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.(3)
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Bij de stukken bevindt zich tevens een "beschikking" van de rechtbank van 30 mei 2011, terwijl blijkens de akte instellen hoger beroep het beroep is gericht tegen het "vonnis" van 30 mei 2011. Nu zich bij de stukken ook een "uitspraak" van de rechtbank van 16 mei 2011 bevindt, de behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 mei 2011 en in de beslissing van het hof wordt verwezen naar de beslissing van de rechtbank van 16 mei 2011, ben ik van die datum uitgegaan.
2 Mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft bij faxbericht van 25 januari 2012, waarin hij heeft verklaard dat hij door de veroordeelde bepaaldelijk is gevolmachtigd om voor hem een rechtsmiddel in te stellen, een schriftelijke volmacht verleend aan de griffier in strafzaken van het gerechtshof te 's-Gravenhage om namens de veroordeelde "hoger beroep" (bedoeld is kennelijk beroep in cassatie; DA) in te stellen. Vervolgens heeft [administratief ambtenaar], administratief ambtenaar bij het hof, op 25 januari 2012 op de griffie van het hof namens de veroordeelde cassatieberoep ingesteld.
3 Vgl. HR 21 december 2010, LJN BN9281, HR 2 maart 2010, NJB 2010/602, HR 30 september 2008, nr. 01496/07 (niet gepubliceerd), HR 22 april 2008, nr. 01351/07 J (niet gepubliceerd) en HR 6 januari 1998, LJN ZD1185, NJ 1998/644.