ECLI:NL:PHR:2013:BZ5662

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/04375
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29c lid 4 Wet op de JeugdzorgArt. 5 lid 5 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling wettelijke vereisten voor voorlopige machtiging gesloten jeugdzorg

In deze zaak stond de vraag centraal of de voorlopige machtiging tot plaatsing van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg rechtmatig was verleend, met name of voldaan was aan het vereiste van instemming van een gedragswetenschapper zoals voorgeschreven in art. 29c lid 4 van de Wet op de Jeugdzorg.

De minderjarige, wiens moeder was overleden en die geen bekende biologische vader had, werd door de kinderrechter onder voogdij gesteld en werd een voorlopige machtiging tot gesloten jeugdzorg verleend. Tegen deze beschikkingen werd hoger beroep ingesteld. Het hof oordeelde dat de machtiging voor de periode na 3 juli 2012 niet langer gegrond was en vernietigde die machtiging voor het resterende tijdvak.

In cassatie werd aangevoerd dat de instemming van een gedragswetenschapper ontbrak bij het verzoek tot machtiging, waardoor de machtiging niet aan de wettelijke eisen zou voldoen. De Hoge Raad stelde vast dat deze stelling feitelijk ongegrond was, omdat bij het verzoekschrift een instemmingsverklaring van een GZ-psycholoog was gevoegd, die de minderjarige had onderzocht. Daarom werd het cassatieberoep verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de voorlopige machtiging tot plaatsing in gesloten jeugdzorg wordt verworpen wegens aanwezigheid van de vereiste gedragswetenschapperinstemming.

Conclusie

Zaak 12/04375
Mr. P. Vlas
Zitting, 22 maart 2013 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
Bureau Jeugdzorg Groningen
(hierna: Bureau Jeugdzorg)
1. In deze zaak waarin de kinderrechter een (voorlopige) machtiging tot plaatsing van [verzoeker] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg heeft verleend, wordt in cassatie geklaagd dat de op grond van art. 29c lid 4 Wet op de Jeugdzorg vereiste instemming van een gedragswetenschapper ontbrak. De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.(1) De moeder van [verzoeker] ([de moeder]), die als enige ouder met het gezag was belast, is op 24 februari 2012 overleden. Er zijn geen gegevens bekend over de biologische vader van [verzoeker]. [Verzoeker] is enig kind.
3. Bij beschikkingen van 24 februari 2012 en 7 maart 2012 heeft de kinderrechter van de rechtbank Groningen Bureau Jeugdzorg met de voorlopige voogdij over [verzoeker] belast en bij beschikking van 23 mei 2012 met de definitieve voogdij.
4. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 30 maart 2012 heeft de kinderrechter van de rechtbank Groningen een voorlopige machtiging tot plaatsing van [verzoeker] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg aan Bureau Jeugdzorg verleend voor de duur van vier weken.(2) Bij beschikking van 11 april 2012(3) is de beschikking van 30 maart 2012 bekrachtigd en is een machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verleend van 27 april 2012 tot 27 september 2012.
5. Tegen de beschikkingen van 30 maart 2012 en 11 april 2012 heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Hij heeft vernietiging van deze beschikkingen verzocht, alsmede schadevergoeding krachtens art. 5 lid 5 EVRM Pro.
6. Bij beschikking van 12 juni 2012 heeft het hof de zaak aangehouden en Bureau Jeugdzorg opgedragen onderzoek te (laten) verrichten naar de mogelijkheden van plaatsing van [verzoeker] bij familie. Bij beschikking van 3 juli 2012 heeft het hof overwogen dat de zorgen om [verzoeker] in eerste instantie op basis van de destijds bekende gegevens als terecht worden beoordeeld en dat de kinderrechter (de duur van) de machtiging tot uithuisplaatsing op goede gronden heeft verleend (rov. 3). Het hof heeft echter geoordeeld dat de grond voor uithuisplaatsing niet langer bestaat. Het hof heeft het verzoek van Bureau Jeugdzorg tot uithuisplaatsing afgewezen met ingang van de datum van de beschikking alsmede het verzoek tot schadevergoeding. Het hof heeft de bestreden beschikkingen gedeeltelijk bekrachtigd en de beschikking van 11 april 2012 vernietigd voor zover een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend van 3 juli 2012 tot 27 september 2012.
7. [Verzoeker] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof Leeuwarden van 3 juli 2012. Bureau Jeugdzorg heeft geen verweer gevoerd.
8. Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 5 en 6 van de bestreden beschikking. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd de bestreden beschikkingen (gedeeltelijk) heeft bekrachtigd. Bij het verzoek tot machtiging van plaatsing in een accommodatie van gesloten jeugdzorg van Bureau Jeugdzorg zou niet aan het wettelijke vereiste van art. 29c lid 4 van de Wet op de Jeugdzorg zijn voldaan. In het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg van 30 maart 2012 zou de instemming van een gedragswetenschapper als in vorenstaand artikel bedoeld, ontbreken. Geklaagd wordt dat het verzoek tot uithuisplaatsing daarmee niet aan de wettelijke eisen voldeed. In de tweede klacht wordt betoogd dat het hof door het verzoek om schadeloosstelling uit hoofde van art. 5 lid 5 EVRM Pro af te wijzen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel van een onbegrijpelijk oordeel.
9. Nog daargelaten dat noch bij de rechtbank noch bij het hof de stelling is ingenomen dat de wettelijk vereiste instemming van een gedragswetenschapper bij het verzoek van Bureau Jeugdzorg ontbrak, moet worden geconstateerd dat de stelling feitelijke grondslag ontbeert. Bij het verzoekschrift van Bureau Jeugdzorg van 30 maart 2012 tot '(voorlopige) machtiging plaatsing gesloten jeugdzorg in het kader van voogdij' is immers een 'instemmingsverklaring gedragswetenschapper bij het verzoek machtiging gesloten jeugdzorg als bedoeld in art. 29b lid 5 en 29c lid 4 Wet op de Jeugdzorg' gevoegd van gedragswetenschapper G.J. Rouwendal, GZ-psycholoog.(4) Uit deze instemmingsverklaring blijkt dat [verzoeker] op 29 maart 2012 door deze GZ-psycholoog is onderzocht. Hierop stuit het middel in zijn geheel af.
10. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie de beschikking van het hof Leeuwarden van 12 juni 2012.
2 Bij beschikking van 3 april 2012 is de beschikking van 30 maart 2012 op het punt van de achternaam van [verzoeker] verbeterd.
3 In de aanhef van de beschikking staat abusievelijk als datum 11 april 2011 vermeld.
4 Het verzoekschrift van Bureau Jeugdzorg is als productie 1 bij het beroepschrift van 27 april 2012 gevoegd.