ECLI:NL:PHR:2013:BZ5662
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke vereisten voor voorlopige machtiging gesloten jeugdzorg
In deze zaak stond de vraag centraal of de voorlopige machtiging tot plaatsing van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg rechtmatig was verleend, met name of voldaan was aan het vereiste van instemming van een gedragswetenschapper zoals voorgeschreven in art. 29c lid 4 van de Wet op de Jeugdzorg.
De minderjarige, wiens moeder was overleden en die geen bekende biologische vader had, werd door de kinderrechter onder voogdij gesteld en werd een voorlopige machtiging tot gesloten jeugdzorg verleend. Tegen deze beschikkingen werd hoger beroep ingesteld. Het hof oordeelde dat de machtiging voor de periode na 3 juli 2012 niet langer gegrond was en vernietigde die machtiging voor het resterende tijdvak.
In cassatie werd aangevoerd dat de instemming van een gedragswetenschapper ontbrak bij het verzoek tot machtiging, waardoor de machtiging niet aan de wettelijke eisen zou voldoen. De Hoge Raad stelde vast dat deze stelling feitelijk ongegrond was, omdat bij het verzoekschrift een instemmingsverklaring van een GZ-psycholoog was gevoegd, die de minderjarige had onderzocht. Daarom werd het cassatieberoep verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de voorlopige machtiging tot plaatsing in gesloten jeugdzorg wordt verworpen wegens aanwezigheid van de vereiste gedragswetenschapperinstemming.