ECLI:NL:PHR:2013:BZ5673

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 mei 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
13/00854
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 350 lid 3 FwArt. 426a RvArt. 351 lid 5 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens verzwijging eigendom onroerend goed in Turkije

Verzoekers zijn in 2009 onder de schuldsaneringsregeling geplaatst. In 2012 heeft de rechtbank deze regeling tussentijds beëindigd zonder verlening van een schone lei vanwege het verzwijgen van eigendom van een stuk grond in Turkije.

Verzoekers gingen in hoger beroep, maar het hof Den Haag bekrachtigde in februari 2013 het vonnis van de rechtbank. Verzoekers kwamen hiertegen in cassatie met drie middelen, die alle werden verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de volmacht correct heeft uitgelegd en dat verzoekers onvoldoende hebben onderbouwd dat zij niet wisten dat zij eigenaar waren van het perceel. De stelplicht van verzoekers was tekortgeschoten, waardoor het hof terecht de bewijsopdracht heeft opgelegd en het eigendom aannam.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO, waarmee de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling standhoudt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling blijft in stand.

Conclusie

13/00854
Mr. L. Timmerman
Zitting 22 maart 2013
Conclusie inzake:
1. [Verzoeker 1]
2. [Verzoekster 2]
verzoekers tot cassatie,
(hierna samen: [verzoeker] c.s.)
1. Feiten en procesverloop(1)
1.1 Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2009 is ten aanzien van [verzoeker] c.s. de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
1.2 Bij vonnis van 17 augustus 2012 heeft de rechtbank de van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling beëindigd zonder verlening van een schone lei, zulks wegens het verzwijgen van een eigendomsrecht op een stuk grond in Turkije.
1.3 [Verzoeker] c.s. is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het beroep is op 5 februari 2013 mondeling behandeld. Bij arrest van 12 februari 2013 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.4 [Verzoeker] c.s. is van dit arrest tijdig(2) in cassatie gekomen.
2. Ontvankelijkheid
2.1 Het verzoekschrift bevat drie middelen tot cassatie, elk onderverdeeld in meerdere ongenummerde alinea's.
Middel I betoogt dat het hof de inhoud en strekking van de volmacht d.d. 30 augustus 2003 heeft miskend, waarop vervolgens de conclusie is getrokken dat verzoekers tekort zijn geschoten in hun informatieverplichting uit hoofde van de schuldsaneringsregeling.
De klacht verlangt in wezen een herbeoordeling van de feiten, die de cassatierechter niet kan geven. Nu het middel beaamt dat de volmacht ertoe strekte om onroerende zaken te kopen, de waarde daarvan te (laten) bepalen, percelen te laten verdelen, registratiewerkzaamheden bij het kadaster te laten verrichten, metingen te laten verrichten, woonvergunningen aan te vragen, "enzovoort enzovoort", is de uitleg die het hof aan de volmacht heeft gegeven niet onbegrijpelijk; zij behoefde ook geen nadere motivering.
2.2 Middel II klaagt dat het hof verzoekers een onmogelijke bewijsopdracht heeft gegeven door in r.o. 5 van het arrest te oordelen dat verzoekers hun standpunt dat zij niet wisten dat zij sedert 27 juni 2003 eigenaar van een perceel grond in Turkije waren en dat [verzoeker 1] niet de wil had om het te kopen onvoldoende hebben onderbouwd, nu het hof daarbij een bewijsopdracht heeft gegeven om iets te bewijzen wat niet is gebeurd.
De klacht berust op een onjuiste lezing van het arrest. Nu verzoekers ten tijde van de schuldsaneringsregeling in de daartoe bestemde registers ingeschreven waren als eigenaar van bedoeld stuk grond en [verzoeker 1] een volmacht tot het voor hem aanschaffen van onroerend goed aan zijn schoonvader had gegeven, achtte het hof aannemelijk dat verzoekers eigenaar van de grond waren en ook van dit eigendomsrecht afwisten. De blote stellingen van verzoekers dat zij van het eigendom niet afwisten en dat de schoonvader met de aankoop op naam van [verzoeker 1] "iets leuks voor de kleinkinderen" had willen doen, waren naar het oordeel van het hof evenwel onvoldoende om hieraan af te doen. Nadere onderbouwing van de (blote) stellingen had bijvoorbeeld kunnen liggen in een verklaring van de schoonvader (zie r.o. 5, 2e alinea), en/of een sluitende toelichting op de discrepantie tussen de verklaring van [verzoeker 1] dat hij niet de wil had onroerend goed aan te kopen, terwijl de door hem aan de schoonvader afgegeven volmacht daartoe wel expliciet strekte (r.o. 5, 2e alinea).
Het hof heeft dus geoordeeld dat verzoekers niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de vastgestelde feiten en het (zeer beperkte) dossier ook niet onbegrijpelijk.
2.3 Middel III betoogt - voor zover voldoend aan de eisen van art. 426a Rv en zakelijk weergegeven - dat het hof in r.o. 5 zonder begrijpelijke motivering en zonder behoorlijk onderzoek heeft geoordeeld dat het stuk grond eigendom was van [verzoeker].
Het middel faalt.
Gezien het voorgaande zijn verzoekers tekortgeschoten in hun stelplicht ten aanzien van de omstandigheden dat zij niet van het eigendom op de grond wisten en dat de schoonvader met de aankoop van de grond "iets leuks" voor zijn kleinkinderen heeft willen doen. Het hof behoefde verzoekers dus niet toe te laten tot bewijs van deze omstandigheden.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2009 (r.o. 1), het p-v van mondelinge behandeling bij het hof Den Haag van 5 februari 2013 alsmede het bestreden arrest van dit hof van 12 februari 2013 (onder "Het geding" en r.o. 5).
2 Het verzoekschrift tot cassatie is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 20 februari 2013, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw Pro genoemde cassatietermijn van 8 dagen.