ECLI:NL:PHR:2013:BZ5957

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/01951
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen poging tot moord

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens medeplegen van poging tot moord tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde. Tegen dit vonnis heeft verdachte cassatieberoep ingesteld met zes middelen.

De Hoge Raad beoordeelt de middelen en concludeert dat geen van de aangevoerde klachten slaagt. De motieven van het Hof met betrekking tot de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van verklaringen zijn niet onbegrijpelijk en getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook de waardering van het bewijs en de bewijsvoering omtrent medeplegen worden door de Hoge Raad bevestigd.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee het arrest van het Hof. Er zijn geen gronden gevonden om ambtshalve tot vernietiging van het bestreden arrest over te gaan.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 11/01951
Mr. Vellinga
Zitting: 5 februari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van poging tot moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven.
2. Namens verdachte heeft mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht, zes middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel richt zich tegen de maatstaven die het Hof ten grondslag heeft gelegd aan de beoordeling van de betrouwbaarheid en/of de geloofwaardigheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en verdachte (pagina 5, halverwege, van het arrest).
4. Hetgeen het Hof overweegt over de betrouwbaarheid en/of geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte en [betrokkene 1] getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor het overige stuit het middel af op de aan het Hof toekomende vrijheid bij de selectie en waardering van de bewijsmiddelen.
5. Het middel faalt.
6. Het tweede middel, dat klaagt over het bewijs van het medeplegen, steunt op de opvatting dat het Hof in voetnoot 7 door te verwijzen naar de pagina's 447 tot en met 449 van het in die voetnoot genoemde proces-verbaal al hetgeen daar als verklaring van de verdachte is vermeld voor het bewijs heeft gebezigd.
7. Het middel berust op onjuiste lezing van het arrest van het Hof. Met voetnoot 7 heeft het Hof alleen aangegeven waaraan het de onder het hoofd "vastgestelde feiten" beschreven feiten, voor zover de voetnoot daarop betrekking heeft, heeft ontleend.
8. Het middel faalt.
9. Het derde middel en het vierde middel stuiten af op de aan de feitenrechter toekomende vrijheid bij de selectie en waardering van de bewijsmiddelen.
10. Het vijfde middel berust op de opvatting dat het Hof aan zijn oordeel de algemene premisse ten grondslag heeft gelegd dat een verdachte die eerst tracht de politie op het verkeerde been te zetten en daartoe erkent te hebben gelogen, vervolgens na zulks te hebben toegegeven, per definitie "conform de waarheid" zal gaan verklaren.
11. Het middel mist feitelijke grondslag omdat uit het arrest niet is op te maken dat het Hof van een dergelijke premisse is uitgegaan. Hetgeen het Hof te dier zake heeft overwogen kan immers niet los worden gezien van de concrete omstandigheden van het geval. Zo wijst het Hof erop dat [betrokkene 1] in haar door het Hof als betrouwbaar beoordeelde verklaring niet alleen verdachte maar ook zichzelf belast.
12. Het middel faalt.
13. Het zesde middel bestaat in belangrijke mate uit een samenvatting van de in de voorgaande middelen vervatte klachten. Voorts bevat het nog de - niet nader gespecificeerde - klacht dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
14. Hetgeen het Hof heeft overwogen over het bewijs van het medeplegen geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
15. Het middel faalt.
16. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG