ECLI:NL:PHR:2013:BZ6246
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing bosbouwvrijstelling op winst uit verkoop snijgroen bij tuindersbedrijf
Belanghebbende exploiteert samen met zijn vader een tuindersbedrijf dat onder andere bestaat uit het kweken van planten en het snoeien van bomen en struiken voor de verkoop van snijgroen. De bomen en struiken staan al vele jaren in de volle grond en worden in stand gehouden door niet meer te kappen dan normaal bosbeheer vereist en door herplant waar nodig.
De Inspecteur weigerde de toepassing van de bosbouwvrijstelling op de winst uit de verkoop van snijgroen. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verkoop van snijgroen op de voorgrond stond en niet de instandhouding van het bos. Het Hof stelde echter dat het snijden van zijtakken niet strijdig is met de instandhoudingseis en dat belanghebbende het bosbedrijf uitoefent. De Inspecteur werd in het ongelijk gesteld.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen het oordeel van het Hof, betwistte de ruime uitleg van de instandhoudingseis en trok parallellen met fruitteelt en hakhout, die niet onder de vrijstelling vallen. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de vrijstelling juist is toegepast, dat snijgroen niet als vrucht wordt beschouwd en dat de instandhoudingseis correct is gehanteerd. De Hoge Raad verwierp het middel van de Staatssecretaris en bevestigde dat de bosbouwvrijstelling van toepassing is wanneer het intact houden van het bos op de voorgrond staat en het kappen binnen normaal bosbeheer blijft.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de bosbouwvrijstelling is van toepassing op de winst uit de verkoop van snijgroen.