ECLI:NL:PHR:2013:BZ6522
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste duur gevangenisstraf na herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, dat een vonnis van de rechtbank bevestigde waarin verdachte werd veroordeeld voor afpersing en bedreiging met een gevangenisstraf van vijftien maanden. Tevens werd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.
De verdediging stelde vier middelen van cassatie voor. De eerste drie middelen betroffen onder meer de beoordeling van getuigenverklaringen en de onderlinge consistentie daarvan, welke de Hoge Raad ongegrond verklaarde. De verklaringen, hoewel deels verschillend in details, waren voldoende consistent om de bewezenverklaring te dragen.
Het vierde middel betrof de duur van het nog niet ten uitvoer gelegde gedeelte van de straf na herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het hof had dit gesteld op 365 dagen, terwijl dit volgens de Hoge Raad op grond van artikel 88 Sr Pro 360 dagen (12 maanden x 30 dagen) had moeten zijn. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de duur van de straf betrof en stelde vast dat het gedeelte van de straf dat alsnog moet worden ondergaan 360 dagen bedraagt.
Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt vast dat het niet ten uitvoer gelegde gedeelte van de straf 360 dagen bedraagt en bevestigt verder de veroordeling van verdachte.