ECLI:NL:PHR:2013:BZ6523

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/04190
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontoereikende klachten over verkeersdodelijk ongeval

Het cassatieberoep van verdachte betreft een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch over een verkeersongeval waarbij een voetganger is overleden. Verdachte betoogde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom een medische fout niet tot het ontbreken van causaliteit leidde.

Het hof had overwogen dat zelfs indien sprake was van een medische fout, het overlijden redelijkerwijs aan verdachte kon worden toegerekend. Dit oordeel werd door de Hoge Raad als toereikend gemotiveerd beschouwd. Daarnaast betwistte verdachte het oordeel van het hof over het opzet op de dood van de voetganger, waarbij het hof had geoordeeld dat verdachte als bestuurder van een personenauto geen risico hoefde af te wegen dat zijn eigen leven in gevaar kwam.

De Hoge Raad stelde dat het ontbreken van aanwijzingen dat verdachte zijn eigen leven in de waagschaal stelde geen twijfel werpt op het bewijs van opzet, omdat de manoeuvre het eigen leven van verdachte niet wezenlijk in gevaar bracht. De klachten van verdachte waren onvoldoende om cassatie te rechtvaardigen, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontoereikende klachten.

Conclusie

Nr. 12/04190
Mr. Vellinga
Zitting: 19 maart 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het beroep in cassatie van verdachte heeft betrekking op een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 28 december 2011.
2. Het eerste middel klaagt over ontoereikende weerlegging van het beroep op het ontbreken van causaliteit omdat er sprake was van een medische misser.
3. Door - zij het ten overvloede - te overwegen dat ook in het geval er sprake zou zijn geweest van een medische fout in de behandeling van [betrokkene] het overlijden van [betrokkene] redelijkerwijs aan verdachte is toe te rekenen heeft het Hof dit verweer toereikend gemotiveerd verworpen; vgl. HR 7 mei 1985, NJ 1985, 821, m.nt. 't H. Daarom kan buiten beschouwing blijven of het Hof op goede gronden heeft geoordeeld dat aan het beroep op een medische misser geen nadere uitleg is gegeven.
4. Het tweede middel richt zich tegen de overweging van Hof dat juist moge zijn dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte met zijn handelswijze zijn eigen leven in de waagschaal wilde stellen, maar dat verdachte als bestuurder van een personenauto in een verkeersongeval met een zwakkere verkeersdeelnemer een dergelijk risico niet heeft behoeven af te wegen.
5. Het oordeel van het Hof moet als volgt worden begrepen. De verdachte stond, als bestuurder van een personenauto de sterkere verkeersdeelnemer ten opzichte van de voetganger als zwakkere verkeersdeelnemer, anders dan de bestuurder in het geval dat ten grondslag lag aan het door verdachtes raadsman ingeroepen zogenaamde Porsche-arrest(1) niet voor de vraag of hij door zijn manoeuvre zijn eigen leven ook in gevaar zou brengen. Daarom roept het ontbreken van aanwijzingen dat verdachte bereid was met zijn handelswijze zijn eigen leven in de waagschaal te stellen geen twijfel op aan het bewijs van het opzet op de dood van de voetganger, en wel omdat de onderhavige manoeuvre - anders dan die van de verdachte in het hiervoor genoemde arrest - verdachtes eigen leven niet wezenlijk in gevaar bracht en hij dus ook niet voor de vraag stond of hij die manoeuvre zou uitvoeren ook al liep hij gevaar daarbij zelf het leven te verliezen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199.