ECLI:NL:PHR:2013:BZ6526
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking hoger beroep tegen ter terechtzitting gegeven afwijzing schorsingsverzoek voorlopige hechtenis
Deze cassatie in het belang der wet betreft de vraag of een verdachte afzonderlijk hoger beroep kan instellen tegen een ter terechtzitting gegeven afwijzing van een verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis. De zaak ontstond nadat het gerechtshof te 's-Gravenhage de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde in zijn hoger beroep tegen een dergelijke afwijzing.
De Hoge Raad analyseert de wettelijke bepalingen, met name artikel 406 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering, en de parlementaire geschiedenis daarvan. Hieruit volgt dat de uitzondering op het concentratiebeginsel van hoger beroep tegen tussenuitspraken beperkt is tot bevelen tot gevangenhouding of gevangenneming en afwijzingen van verzoeken tot opheffing daarvan. Afwijzingen van schorsingsverzoeken ter terechtzitting vallen hier niet onder.
De Hoge Raad constateert dat hoewel er in de literatuur en jurisprudentie discussie bestaat over deze beperking, de wetgever bewust heeft afgezien van uitbreiding van de beroepsmogelijkheden. De rechter kan niet zelf in deze leemten voorzien; dit behoort tot de wetgever. De bestreden uitspraak van het hof wordt daarom bekrachtigd en het middel faalt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat tegen een ter terechtzitting gegeven afwijzing van een schorsingsverzoek geen afzonderlijk hoger beroep openstaat.