ECLI:NL:PHR:2013:BZ6878
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing vrijstellings- versus verrekeningsmethode bij bestuurdersbeloning en voorkoming dubbele belasting
Belanghebbende, bestuurder van een Luxemburgse holding met functies in verschillende landen, verwierf in 2004 een aandelenbelang dat als loon uit dienstbetrekking werd aangemerkt. Een deel van dit voordeel werd toegerekend aan de Verenigde Staten (VS), waarover geen belasting werd betaald. De rechtbank oordeelde dat de verrekeningsmethode van toepassing was omdat in de VS geen belasting was geheven, en de vrijstellingsmethode niet kon worden toegepast volgens de Resolutie van 11 juli 1994.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte vereiste dat daadwerkelijk belasting was geheven in de VS, terwijl volgens hem volstond dat het voordeel in de heffing was betrokken. Ook voerde hij aan dat de Resolutie geen kwantitatieve toets (componentenbenadering) beoogt, maar een kwalitatieve toets. De Advocaat-Generaal stelde dat het voordeel in beginsel in de VS in de belastingheffing moet zijn betrokken, ongeacht of daadwerkelijk belasting is geheven.
De Hoge Raad bevestigde dat de eis van de Resolutie inhoudt dat het voordeel in de heffing moet zijn betrokken, niet dat er daadwerkelijk belasting is betaald. De zaak werd verwezen om vast te stellen of het voordeel in de VS objectief is onderworpen aan belastingheffing. Tevens werd bevestigd dat de vrijstellingsmethode slechts toepasselijk is voor het deel van de beloning dat in de VS in de heffing is betrokken, en dat de Resolutie een kwalitatieve toets bevat.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de vrijstellings- en verrekeningsmethode bij bestuurdersbeloningen in internationale situaties en benadrukt het belang van de objectieve onderworpenheid aan belasting in de bronstaat. Dit voorkomt dubbele belasting zonder dat belastingplichtigen worden benadeeld door verschillen in nationale waarderingsgrondslagen of fiscale regimes.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nadere vaststelling van de onderworpenheid van het voordeel in de Verenigde Staten.