ECLI:NL:PHR:2013:BZ7148
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens ontbreken bijzondere volmacht aan griffiemedewerker
In deze zaak stond centraal of een brief van de raadsman, waarin hij namens verdachte verzocht hoger beroep in te stellen en verklaarde daartoe bepaaldelijk gemachtigd te zijn, kan worden opgevat als een bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker. Het hof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard omdat het faxbericht geen expliciete bijzondere volmacht aan de griffiemedewerker bevatte, zoals vereist volgens art. 450 lid 3 Sv Pro.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor een geldige volmacht zoals geformuleerd in eerdere arresten, waaronder de eis dat de advocaat verklaart dat hij door verdachte bepaaldelijk is gemachtigd, dat de verdachte instemt met ontvangst van de oproeping door de griffiemedewerker, en dat het adres voor toezending is opgegeven. Hoewel de brief van de raadsman niet letterlijk een machtiging bevatte, oordeelt de Hoge Raad dat de inhoud met de nodige welwillendheid als een volmacht gelezen kan worden.
Daarnaast benadrukt de Hoge Raad dat indien verdachte of zijn raadsman ter terechtzitting verschijnt en verklaart dat er de wens is om hoger beroep in te stellen, een formeel verzuim in de volmacht voor gedekt kan worden gehouden. Daarom acht de Hoge Raad het oordeel van het hof onbegrijpelijk en vernietigt het arrest, waarna de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor nieuwe behandeling.
Deze uitspraak benadrukt het belang van formele eisen bij het instellen van hoger beroep, maar ook de mogelijkheid tot herstel van onvolkomenheden indien de wens tot appelleren duidelijk blijkt uit het procesverloop.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.