ECLI:NL:PHR:2013:BZ7172

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/01056 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:84 BWArt. 3:86 BWArt. 3:87 BWArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking inzake motiveringsklacht over beslag op gestolen auto

In deze zaak gaat het om een beklag tegen het beslag op een personenauto die op 8 juni 2011 gestolen was. Klaagster stelde eigenaar te zijn van de auto, maar de rechtbank oordeelde dat de overdracht niet geldig was omdat de verkoper niet bevoegd was de auto te verkopen. De rechtbank vond dat klaagster niet te goeder trouw was omdat zij de identiteit van de verkoper niet had geverifieerd en niet aan haar wegwijsplicht had voldaan.

Klaagster stelde dat zij het rijbewijs van de verkoper had vergeleken met het kentekenbewijs en dat de gegevens overeenkwamen. De rechtbank liet echter onduidelijk of zij deze feiten niet aannemelijk achtte of dat zij vond dat deze feiten geen goede trouw opleverden. Ook liet de rechtbank na te beoordelen of aan de wegwijsplicht was voldaan volgens artikel 3:87 lid 1 BW Pro.

De Hoge Raad oordeelt dat de motivering van de rechtbank onvoldoende is en dat het oordeel over de goede trouw en de wegwijsplicht niet begrijpelijk is. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling van het beklag op basis van de bestaande stukken.

De zaak illustreert de toepassing van de artikelen 3:84, 3:86 en 3:87 BW omtrent de geldigheid van overdracht van goederen en de bescherming van verkrijgers te goeder trouw in het kader van beslaglegging op een gestolen voertuig.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor herbehandeling van het beklag.

Conclusie

Nr. 12/01056
Mr. Vellinga
Zitting: 12 februari 2013
Conclusie inzake:
[Klaagster]
1. Bij beschikking van 10 februari 2012 heeft de Rechtbank te 's-Hertogenbosch het beklag strekkende tot teruggave van de onder klaagster inbeslaggenomen personenauto ongegrond verklaard.
2. Namens klaagster heeft mr. P.A.M. Verkuijlen, advocaat te Sint-Oedenrode, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag.
4. De Rechtbank heeft overwogen voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
"De rechtbank stelt vast dat er gelet op het standpunt van de officier van justitie geen strafvorderlijk belang is voor handhaving van het beslag nu de officier van justitie de inbeslaggenomen personenauto wil teruggeven aan de rechthebbende.
De rechtbank stelt voorts vast dat uit de stukken blijkt dat de onder [klaagster] inbeslaggenomen personenauto de personenauto is die op 8 juni 2011 gestolen is. [Klaagster] stelt dat de onder haar inbeslaggenomen personenauto van haar is. [Betrokkene 1] heeft verklaard op 28 juni 2011 namens [klaagster] de personenauto te goeder trouw te hebben ingekocht van [betrokkene 2] in ruil voor een BMW X5 met bijbetaling van een bedrag van 6 12.000,-.
Op grond van artikel 3:84 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) is voor de overdracht van een goed vereist dat de levering krachtens een geldige titel wordt verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken. In de onderhavige zaak betekent dit dat de persoon die de BMW 320D voor verkoop aanbood (verder: [betrokkene 2]), nu de personenauto van BMW van [A] N.V. was, beschikkingsonbevoegd was en niet gerechtigd was de personenauto aan klaagster te verkopen. Om deze reden heeft er ingevolge artikel 3:84 van Pro het BW geen geldige overdracht van de personenauto plaatsgevonden. Ondanks de onbevoegdheid van de van [betrokkene 2] kan de overdracht van de personenauto ingevolge artikel 3:86, eerste lid van het BW toch geldig zijn, indien de overdracht anders dan om niet is geschiedt, hetgeen hier het geval is, en de verkrijger, in casu klaagster te goeder trouw was.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of klaagster een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 3:86 eerste Pro lid van het BW. Artikel 3:87 eerste Pro lid van het BW vereist voor een geslaagd beroep op artikel 3:86 eerste Pro lid van het BW dat klaagster onverwijld de gegevens van zijn rechtsvoorganger moet kunnen verschaffen. De rechtbank is van oordeel dat klaagster niet te goeder trouw was. Immers bestaan de bedrijfsactiviteiten van klaagster onder meer uit de handel in personenauto's en [betrokkene 1] die handelde namens klaagster, heeft de personenauto gekocht van een particulier waarvan hij de adres- en persoonsgegevens niet geverifieerd heeft.
Nu klaagster niet de juiste gegevens van zijn rechtsvoorganger kon verschaffen, was klaagster niet te goeder trouw en kan klaagster geen beroep doen op het bepaalde in artikel 3:86 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek.
Er heeft gelet op het voorgaande geen geldige overdracht van de personenauto aan klaagster plaatsgevonden.
De rechtbank zal het klaagschrift derhalve ongegrond verklaren."
5. Blijkens het aan de beschikking ten grondslag liggende klaagschrift is namens klaagster aangevoerd dat klaagster het rijbewijs van de persoon die de BMW 320D voor verkoop aanbood heeft vergeleken met het persoonsdeel van het kentekenbewijs van de auto en dat de gegevens hierop met elkaar overeenkwamen.
6. Met het oordeel van de Rechtbank dat klaagster niet te goeder trouw was omdat hij de personenauto heeft gekocht van een particulier waarvan hij de adres- en persoonsgegevens niet heeft geverifieerd laat de Rechtbank in het ongewisse of zij de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het klaagschrift ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk acht, dan wel of zij van oordeel is dat die feiten en omstandigheden geen goede trouw opleveren als bedoeld in art. 3:86 BW Pro.(1)
7. Voor zover de Rechtbank heeft geoordeeld dat klaagster niet aan haar wegwijsplicht heeft voldaan, is dat oordeel in het licht van de zijdens klaagster aangevoerde feiten niet zonder meer begrijpelijk. Ingevolge art. 3:87 lid 1 BW Pro is voor voldoen aan de wegwijsplicht immers ook voldoende dat de verkrijger onverwijld de gegevens kan verschaffen van zijn rechtsvoorganger die hij ten tijde van zijn verkrijging daartoe voldoende mocht achten om de vervreemder terug te vinden. Of dat laatste het geval was laat de Rechtbank in het midden.
8. Het middel slaagt.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Opmerking verdient dat de wet in art. 3:87 BW Pro een extra eis stelt voor de toepassing van art. 3:86. Weliswaar wordt gezegd dat de verkrijger niet de bescherming kan inroepen die aan een verkrijger te goeder trouw wordt geboden, doch het hier bepaalde staat los van de goede trouw van de verkrijger op het tijdstip van de verkrijging. Vgl. Asser, Goederenrecht, I Algemeen goederenrecht, vijftiende druk, nr. 336.