ECLI:NL:PHR:2013:BZ7863
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid terugwerkende verlaging overdrachtsbelasting per 15 juni 2011
De belanghebbenden verkregen op 7 juni 2011 elk de helft van een woning en betaalden toen het tarief van 6% overdrachtsbelasting. Kort daarna werd het tarief verlaagd naar 2% met terugwerkende kracht tot 15 juni 2011. De belanghebbenden vorderden toepassing van het lagere tarief, stellende dat zij ongelijk werden behandeld ten opzichte van kopers na die datum.
Zowel de Rechtbank Breda als het Hof 's-Hertogenbosch verklaarden hun beroepen ongegrond. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de terugwerkende kracht van de tariefsverlaging niet aan het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur kan worden getoetst, maar wel aan het volkenrechtelijke discriminatieverbod. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij fiscale maatregelen en de gekozen ingangsdatum van 15 juni 2011 is niet willekeurig, mede gelet op persconferenties en notariële transportpraktijken.
De Hoge Raad oordeelt dat de kleine groep belastingplichtigen die tussen 15 en 17 juni 2011 profiteerde van de terugwerkende kracht niet leidt tot een onredelijke of willekeurige ongelijkheid. Een verdere uitbreiding van de terugwerkende kracht zou leiden tot onaanvaardbare budgettaire en rechtszekerheidsproblemen. De rechtbanken hebben derhalve terecht geoordeeld dat de terugwerkende kracht niet in strijd is met het discriminatieverbod en het gelijkheidsbeginsel.
De uitspraak benadrukt de ruime marge van beoordeling die de wetgever heeft bij fiscale regelgeving en bevestigt dat voordelige terugwerkende kracht, mits goed gemotiveerd, toelaatbaar is. Het arrest bevat een uitgebreide analyse van jurisprudentie van het EHRM en eerdere Nederlandse rechtspraak over discriminatie, terugwerkende kracht en rechtszekerheid in belastingzaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de terugwerkende verlaging van de overdrachtsbelasting per 15 juni 2011 is rechtmatig.