ECLI:NL:PHR:2013:BZ8165

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/03120
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 107, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994Art. 359, tweede lid, tweede volzin, SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring en verwerpt cassatiemiddel inzake bestuurdersidentificatie bij verkeersovertreding

Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, waaronder een geldboete, hechtenis en ontzegging van rijbevoegdheid. Verzoeker stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof dat hij de bestuurder was van de betreffende auto, waarbij hij betoogde dat de herkenning door de verbalisanten twijfelachtig was en het arrest onvoldoende was gemotiveerd.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel niet alleen baseerde op de ambtshalve herkenning van verzoeker door de verbalisanten, maar ook op de verklaring van een getuige die de auto aan verzoeker had uitgeleend. Daarnaast is vastgesteld dat de verbalisanten verzoeker zagen wegrennen van de auto. Deze omstandigheden maken het redelijkerwijs uitgesloten dat een ander de bestuurder was.

De Hoge Raad acht de motivering van het hof toereikend en verwerpt het cassatiemiddel. Er zijn geen gronden gevonden om het arrest ambtshalve te vernietigen. Het beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

Nr. 11/03120
Mr. Hofstee
Zitting: 5 maart 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 31 maart 2011 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "1. Overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 850,-, subsidiair 17 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden en wegens "2. Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 2 weken.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/03120 en 11/03121. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verzoeker heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof niet, althans onvoldoende, heeft gereageerd op het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de herkenning door de verbalisanten twijfelachtig is, zodat het arrest niet voldoende met redenen is omkleed.
5. Het middel is vruchteloos voorgesteld. Daargelaten de vraag of hetgeen de verdediging op 's Hofs terechtzitting naar voren heeft gebracht valt aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv(1), heeft het volgende te gelden. Het middel ziet eraan voorbij dat het Hof - zoals ook al volgt uit zijn in het bestreden arrest opgenomen bijzondere bewijsoverweging - aan zijn bestreden oordeel niet alleen ten grondslag heeft gelegd het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten (bewijsmiddel 1), inhoudende de ambtshalve herkenning van verzoeker. Het oordeel van het Hof dat het redelijkerwijs uitgesloten is dat een ander dan verzoeker de bestuurder van de betreffende personenauto was, is mede gegrond op de eveneens voor het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [getuige 1] (bewijsmiddel 3), inhoudende dat hij de auto, waarvan hij de eigenaar is, aan verzoeker had uitgeleend. Bovendien wijs ik erop dat voornoemd proces-verbaal van bevindingen als eigen waarneming van de verbalisanten inhoudt dat zij de door hen als bestuurder van de auto herkende persoon - welke persoon na te zijn aangehouden verzoeker bleek te zijn (bewijsmiddel 2) - van die auto zagen wegrennen.
6. Dat het Hof op grond van voornoemde omstandigheden heeft geoordeeld dat redelijkerwijs is uitgesloten dat een ander dan verzoeker de bestuurder van de betreffende personenauto was, acht ik niet onbegrijpelijk. Door aldus te overwegen heeft het Hof de verwerping van het standpunt dat verzoeker niet de bestuurder van de betreffende personenauto is geweest, toereikend gemotiveerd weerlegd. De bewezenverklaring is dan ook voldoende met redenen omkleed.
7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Ik meen van niet, nu de raadsman slechts twijfels heeft geuit.