"Bij het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt de verdachte telkens primair verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan poging tot doodslag.
Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is poging tot misdrijf strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens vaste jurisprudentie zijn gedragingen van een verdachte aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, indien zij naar de uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.
In februari 2009 heeft de verdachte - nadat hij boos was geworden op zijn ex-vrouw omdat zij had gezegd dat hij niet meer bij haar binnenkwam als hij niet zou stoppen met zijn drugsgebruik - in de keuken van de woning van zijn ex-vrouw vier gaspitten opengedraaid. Toen hij zag dat zijn ex-vrouw terugkeerde bij de woning, heeft hij in de gang negen kaarsen aangestoken en vervolgens de deur voor haar opengedaan (feit 2).
In oktober 2010 heeft de verdachte vier gaspitten opengedraaid op een moment waarop zijn ex-vrouw in de woonkamer en hun drie kinderen op de eerste verdieping lagen te slapen.
Vervolgens is hij, terwijl zijn ex-vrouw nog lag te slapen, naar boven gegaan en heeft hij het gas vrijelijk de woning in laten stromen (feit 1).
Naar het oordeel van het hof ontstond hierdoor een reëel gevaar op het overlijden van zijn ex-echtgenote en kinderen door het inademen van gas of door een ontploffing, bijvoorbeeld indien een lichtschakelaar omgezet zou worden of een elektrisch apparaat zoals een koelkast zou "aanslaan".1 Het gevaarzettende karakter van het handelen van de verdachte acht het hof een feit van algemene bekendheid, gelet op de vele waarschuwingen waarmee het gebruik van gas in de woning is omgeven en de van tijd tot tijd verschijnende berichten over gasontploffingen in woningen.
De verdachte heeft over het opendraaien van de gaskranen verklaard dat hij "de hele boel in de fik wilde gooien". De verdachte heeft zich voorts als volgt uitgelaten over zijn lot en dat van ex-vrouw en kinderen:
- "Ik kan echt niet zonder haar. Dan is het einde verhaal voor mij.";
- "Ik heb al eerder gezegd dat ik mijn vrouw en kinderen niet achterlaat.";
- "Of we blijven bij elkaar of we gaan allemaal dood.";
- "U vraagt of het zo is dat als ik ga, mijn kinderen ook dood moeten. Ja".
Naar het oordeel van het hof volgt uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes gedragingen, mede bezien in het licht van zijn hiervoor geciteerde uitlatingen over zijn lot en dat van ex-vrouw en kinderen, dat zijn opzet was gericht op de levensberoving van zijn ex-vrouw en hun drie kinderen (feit 1 ) c.q. zijn ex-vrouw (feit 2).
In de omstandigheid dat de verdachte in beide gevallen zelf ook levensgevaar heeft gelopen, ziet het hof geen contra-indicatie voor het opzet op de dood van zijn ex-vrouw en kinderen (feit 1) c.q. zijn ex-vrouw (feit 2), in aanmerking nemende dat de verdachte zich blijkens zijn uitlatingen kennelijk ook had verzoend met zijn eigen dood.
De gedragingen van de verdachte moeten naar het oordeel van het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als zozeer te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf van doodslag op zijn ex-echtgenote en hun drie kinderen (feit 1) c.q. op zijn ex-echtgenote (feit 2), dat zij telkens zijn aan te merken als een begin van uitvoering van dat misdrijf. Door dat begin van uitvoering heeft verdachtes voornemen tot levensberoving zich geopenbaard, zodat er telkens sprake is van een poging tot doodslag.
Het hof komt daarom tot een bewezenverklaring van onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde.
Noot 1: 1 Blijkens een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], allen werkzaam bij de Forensisch Technische Ondersteuning van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, d.d. 5 november 2010 kan iedere inschakeling van een verbruiker onder dergelijke omstandigheden een ontstekingsbron vormen."