ECLI:NL:PHR:2013:BZ8358
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid Nederlandse rechter tot horen buitenlandse partijgetuige volgens EG-Bewijsverordening
Deze zaak betreft de vraag of een Nederlandse rechter verplicht is om een rogatoire commissie in te stellen voor het horen van een getuige die in een andere EU-lidstaat woont en tevens partij is in de procedure, of dat de rechter deze partijgetuige rechtstreeks kan oproepen volgens het nationale procesrecht.
De Hoge Raad verwijst naar het prejudiciële arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 september 2012, waarin is vastgesteld dat de EG-Bewijsverordening (Verordening (EG) nr. 1206/2001) geen exclusieve werking heeft. Dit betekent dat rechters vrij zijn te kiezen tussen bewijsverkrijging via de EG-Bewijsverordening of via nationale regels.
Het hof had geoordeeld dat het verzoek van eisers tot het instellen van een rogatoire commissie niet zonder meer toegewezen hoeft te worden en dat het recht op een eerlijk proces (fair trial) niet vereist dat buitenlandse partijgetuigen niet rechtstreeks door de Nederlandse rechter mogen worden gehoord. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst de cassatieklachten af.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de brief van de rechter-commissaris geen voor hoger beroep vatbare beslissing bevat en dat de procedurele stappen adequaat zijn genomen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat Nederlandse rechters buitenlandse partijgetuigen rechtstreeks kunnen horen volgens nationaal procesrecht zonder verplichting tot rogatoire commissie.