ECLI:NL:PHR:2013:BZ8827
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot verkrijging Nederlandse nationaliteit op grond van art. 6 lid 4 TOS
In deze zaak staat de vraag centraal of verzoekster op grond van artikel 6 lid 4 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS) de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
De rechtbank 's-Gravenhage wees het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap reeds af bij beschikking van 4 juni 2009, omdat niet was voldaan aan de voorwaarde dat verzoekster, indien zij ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS meerderjarig was geweest, de Nederlandse nationaliteit zou hebben gekregen, dan wel had kunnen verkrijgen of behouden. Dit oordeel werd onherroepelijk toen het cassatieberoep van verzoekster niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening.
Verzoekster diende op 15 november 2010 een nieuw verzoek in, maar de rechtbank handhaafde bij beschikking van 10 mei 2012 haar eerdere beslissing, stellende dat er geen gewijzigde feiten of omstandigheden waren. De Hoge Raad bevestigt dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6 lid 4 TOS Pro, dat slechts een correctiemogelijkheid biedt voor minderjarigen die anders dan meerderjarigen een andere nationaliteit zouden verkrijgen.
De klachten van verzoekster falen ook omdat haar situatie niet vergelijkbaar is met die van betrokkene 1, die op een andere grond (art. 6 lid 1 onder Pro f RWN) de Nederlandse nationaliteit verkreeg. De Hoge Raad verwerpt het beroep en past artikel 81 lid 1 RO Pro toe voor een verkorte conclusie.
Uitkomst: Het beroep van verzoekster wordt verworpen en het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit op grond van art. 6 lid 4 TOS afgewezen.