ECLI:NL:PHR:2013:BZ9165
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over royalty-inkomsten uit patenten na onderzoek in het buitenland
Belanghebbende verrichtte in de jaren 1990-1992 postdoctoraal wetenschappelijk onderzoek aan een instituut (A) in Engeland. Hij was niet in Nederland woonachtig en sloot een overeenkomst waarbij patentrechten aan A toekwamen, maar hij recht had op royalty's uit commerciële exploitatie. In 2001 en 2005 ontving hij royalty's die de inspecteur als inkomen uit werk en woning belastte. Belanghebbende voerde aan dat er geen bron van inkomen was en dat de inkomsten aan Engeland moesten worden toegerekend op grond van het belastingverdrag.
De rechtbank en het hof verklaarden het beroep ongegrond en kwalificeerden de inkomsten als resultaat uit overige werkzaamheden. De Hoge Raad stelde vast dat belanghebbende als zelfstandig onderzoeker een vast middelpunt in Engeland had en dat de royalty's als opbrengst van het productief maken van octrooien onder het verdrag als royalty's moesten worden aangemerkt. De toerekening aan het vast middelpunt in Engeland was onjuist beoordeeld door het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat de criteria 'voordeel beogen en verwachten' geen zelfstandige betekenis hebben indien het voordeel in het economisch verkeer wordt behaald. De inkomsten behoren tot het vermogen van de zelfstandige werkzaamheid en zijn belastbaar in Nederland. De klacht van belanghebbende over de verdragstoepassing slaagde, en de zaak kon door de Hoge Raad zelf worden afgedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de royalty-inkomsten belastbaar zijn in Nederland als resultaat uit overige werkzaamheden en wijst het beroep in cassatie toe.