ECLI:NL:PHR:2013:CA0266

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/05988
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst schilderij wegens dwaling en niet-nakoming

In deze zaak stond de ontbinding van een koopovereenkomst over een schilderij centraal, waarbij eiser stelde dat het schilderij niet volledig authentiek was en dat Christie's Amsterdam B.V. onjuiste informatie had verstrekt. Het hof oordeelde dat eiser moest verwachten dat het schilderij retoucheringen bevatte en dat Christie's mening over de toeschrijving niet impliceerde dat het schilderij voor 100% door Van Goyen was geschilderd.

Het hof stelde dat eiser had moeten onderzoeken in hoeverre het schilderij was geretoucheerd en dat de onzekerheid hierover voor zijn risico kwam. Daarnaast oordeelde het hof dat Christie's geen mededelingsplicht had geschonden en dat het bewijsaanbod van eiser niet relevant was omdat het risico van onderzoeksonmogelijkheden bij eiser lag.

De Hoge Raad concludeerde dat de klachten van eiser geen cassatiegrond opleverden, omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en zijn oordelen voldoende had gemotiveerd. Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof bevestigd.

Conclusie

Rolnr. 12/05988
Mr M.H. Wissink
Zitting van 3 mei 2013
Conclusie inzake:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser tot cassatie
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Christie's Amsterdam B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster, niet verschenen
1. Het bij dagvaarding van 11 december 2012 ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 september 2012, LJN BY7731, NJF 2013/12. De klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
2. De drie middelen richten zich tegen rov. 3.3.3-3.3.11 en 3.4 en berusten steeds op hetzelfde uitgangspunt zoals verwoord in de nrs. 10, 27 en 61.
3. Middel 1 klaagt in de kern (p. 4 en nrs. 10 en 12) dat [eiser] niet heeft betoogd dat hij ervan mocht uitgaan dat het schilderij nog 100% door Van Goyen zou zijn geschilderd, welke mening het hof hem in rov. 3.3.6 toedicht. Zijn standpunt was dat hij ervan mocht uitgaan dat het schilderij niet voor meer dan 50% geretoucheerd zou zijn.
Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft het standpunt van [eiser] niet miskend. Rov. 3.3.6 brengt tot uitdrukking dat naar het oordeel van het hof [eiser] moest verwachten dat er retoucheringen zouden zijn. Hij was dus gewaarschuwd dat de mening van Christie's, dat het schilderij van Van Goyen is, niet betekent dat het nog 100% van Van Goyen is. Hiermee brengt het hof tot uitdrukking dat de mening van Christie's geen oordeel impliceerde over de mate van retouchering. Op dat punt bestond dus onzekerheid.
[Eiser]' standpunt dat hij ervan mocht uitgaan dat het schilderij van Van Goyen niet voor meer dan 50% geretoucheerd zou zijn, heeft het hof in twee stappen beoordeeld. Ten eerste: [eiser] mocht verwachten dat Christie's haar mening op goede gronden heeft gegeven (rov. 3.3.7). Dat heeft Christie's volgens het hof gedaan (rov. 3.3.8-3.3.9). Ten tweede: het wegnemen van onzekerheid over de mate van retouchering lag op de weg van [eiser], maar hij heeft daartoe geen stappen ondernomen terwijl resterende onzekerheid voor zijn risico komt (rov. 3.3.10).
4. Op het voorgaande stuiten ook af de in wezen identieke klachten van de middelen 2 en 3 over het oordeel dat Christie's geen mededelingsplicht heeft geschonden (middel 2 op p. 10 en in de nrs. 31-34; middel 3 op p. 17 en in de nrs. 66-69) en over het oordeel dat [eiser] niet getracht heeft het schilderij te mogen onderzoeken (middel 2, op p. 10 en in de nrs. 35-36; middel 3 op p. 17 en in de nrs. 70-71), voor zover deze klachten al voldoen aan de daaraan te stellen eisen. De oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zijn voldoende gemotiveerd en berusten voor het overige op een aan het hof voorbehouden waardering van de feiten en omstandigheden van het geval.
5. De klacht van de nrs. 30 en 65 mist feitelijke grondslag. Het hof doelt in rov. 3.5 , eerste volzin, op de oorsprong van het schilderij (zie rov. 3.3.3, eerste volzin).
Het arrest geeft geen grond om aan te nemen dat het hof de relevante maatstaven heeft miskend, zodat de daarop gerichte klachten van de nrs. 28-29 en 62-64 falen.
Het in de nrs. 11 en 16 bedoelde bewijsaanbod kon het hof als niet relevant passeren (rov. 3.11) nu de onmogelijkheid van onderzoek voor risico van [eiser] komt (rov. 3.3.10), Christie's in redelijkheid de onderhavige mededeling over de toeschrijving kon doen (rov. 3.3.6-3.3.9), de "echtheid" niet in het geding is (rov. 3.3.3, slot) en de stelling omtrent de waarde van het schilderij niet afdoet aan 's hofs oordeel (rov. 3.3.9).
De klachten in de nrs. 13-15, 37-40 en 72-75 behoeven geen afzonderlijke bespreking meer.
6. Het cassatieberoep kan met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard worden.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G