ECLI:NL:PHR:2013:CA0267

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13/00607
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 1:251a lid 1 BWArt. 1:377a lid 1 BWArt. 1:377b BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitsluitend ouderlijk gezag moeder en weigering omgang vader

De zaak betreft een geschil tussen de ongehuwde ouders over het ouderlijk gezag en omgang met hun minderjarige zoon, geboren in 2006. Na hun scheiding in 2011 verbleef de zoon bij de moeder. De kinderrechter had het gezag exclusief aan de moeder toegekend en het verzoek van de vader om een omgangsregeling afgewezen.

De vader ging in hoger beroep en verzocht tevens om eenhoofdig gezag. Het gerechtshof bevestigde het besluit van de kinderrechter en ontzegde de vader het recht op omgang. De vader stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissing.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaven toepaste en dat het oordeel over het gezag en de omgangsregeling niet onbegrijpelijk was. De beslissing was gemotiveerd met het oog op de bescherming van het kind, mede gelet op de PTSS van de moeder en de spanningen die omgang zou veroorzaken. Het verzoek van de vader om eenhoofdig gezag werd afgewezen, evenals een informatieregeling over het welzijn van het kind. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt niet-ontvankelijk verklaard; het gezag blijft uitsluitend bij de moeder en omgang wordt geweigerd.

Conclusie

13/00607
Mr. F.F. Langemeijer
3 mei 2013 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[De vader]
tegen
[De moeder]
1. Partijen zijn de ongehuwde ouders van [de zoon], geboren in 2006 (hierna: de zoon). De vader heeft de zoon erkend; de ouders oefenden gezamenlijk het gezag uit. Zij wonen sinds september 2011 gescheiden; de zoon verblijft sindsdien bij de moeder. De kinderrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage heeft, na een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, bij beschikking van 3 juli 2012, voor zover thans van belang, op verzoek van de moeder bepaald dat het ouderlijk gezag uitsluitend aan haar toekomt. Het verzoek van de vader om een zorg- c.q. omgangsregeling vast te stellen werd afgewezen.
2. De vader heeft hoger beroep ingesteld en aanvullend verzocht uitsluitend hem met het gezag te belasten. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 7 november 2012, na partiële vernietiging van de beroepen beschikking, aan de vader het recht op omgang met de minderjarige ontzegd en de beschikking voor het overige bekrachtigd. De vader heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De moeder heeft verweer gevoerd.
3. Middel I betreft de beslissing over het ouderlijk gezag (rov. 11 - 13). Het middel bestrijdt niet de door het hof in rov. 10 gebezigde maatstaf, ontleend aan art. 1:251a lid 1 BW; wel de slotsom in rov. 11 dat aan deze maatstaf is voldaan. De rechtsklacht, die niet méér inhoudt dan dat volgens de vader niet is voldaan aan het "klemcriterium", stuit af op het andersluidende oordeel van het hof. De waardering van de feiten is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Ook de verwijzing naar art. 8 EVRM Pro baat de vader niet: het hof heeft dit verdragsrechtelijke argument onderkend (zie rov. 5), maar de beslissing nodig geacht ter bescherming van de zoon (art. 8 lid 2 EVRM Pro). De klacht dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van het Raadsrapport "waarin de Raad geen enkele grond heeft gezien om tot wijziging van het gezamenlijk gezag te adviseren", faalt. Uit rov. 11 blijkt immers dat het hof zich verenigt met het oordeel van de kinderrechter. Deze heeft gebruik gemaakt van feitelijke informatie uit het rapport, maar is met opgaaf van redenen afgeweken van het oordeel van de Raad(1), die begeleide omgang had geadviseerd. De beslissing omtrent een gezagswijziging moet, vanwege het ingrijpende karakter daarvan, aan hoge motiveringseisen voldoen. Anders dan in middel I wordt verondersteld, is de bestreden beslissing niet slechts gebaseerd op de "weerstand" die de moeder ter zitting van het hof heeft geuit of op haar stelling dat de verstandhouding ernstig is verstoord; zie ook blz. 3 en 4 van de eindbeschikking van de kinderrechter.
4. De klacht aan het slot, dat het hof in het dictum geen beslissing heeft genomen op een verzoek van de vader om hem met het eenhoofdig gezag te belasten of, subsidiair, de moeder te veroordelen aan de vader informatie te verschaffen over het welzijn van de zoon, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen. Wat betreft het primaire verzoek is de motivering te vinden in rov. 13. Het cassatierekest vermeldt geen vindplaats van het subsidiaire verzoek. Ter zitting heeft het hof de raadsman van de vader gevraagd of hij een verzoek deed om een informatieregeling op te leggen (p.-v. blz. 3; art. 1:377b BW). Het antwoord op die vraag is door het hof, kennelijk en niet onbegrijpelijk, niet verstaan als een zodanig verzoek.
5. Middel II betreft de weigering van de verzochte omgangsregeling (rov. 14 - 15). Het middel bestrijdt niet de door het hof gebezigde maatstaf, ontleend aan art. 1:377a lid 1 BW; wel de conclusie dat aan de maatstaf van het derde lid is voldaan. De klacht houdt in dat het oordeel in strijd is met het in art. 8 EVRM Pro beschermde recht op omgang, althans ontoereikend is gemotiveerd.
6. De rechtsklacht faalt omdat het hof deze beslissing noodzakelijk heeft geacht ter bescherming van de zoon (art. 8 lid 2 EVRM Pro). De motiveringsklacht, toegelicht met argumenten van feitelijke aard, faalt omdat rov. 15 de beslissing kan dragen. Het hof heeft in zijn motivering zowel aandacht besteed aan de afweging van de betrokken belangen als aan mogelijke alternatieven (begeleide omgang; vertrouwenspersoon). De klacht gaat eraan voorbij dat het hof de motivering toespitst op de gevolgen van het opleggen van een omgangsregeling "nu", hetgeen grote spanningen zou opleveren. Het hof acht met name van belang dat de moeder eerst haar PTSS laat behandelen en dat de vader aan de moeder en de zoon "gedurende die tijd rust geeft". Zo verstaan, is de beslissing niet in strijd met art. 8 (lid 1 of lid 2) EVRM, noch met het uitgangspunt dat van beide ouders de nodige inspanning mag worden verwacht om, in het belang van de minderjarige, een contact- en omgangsregeling tussen de vader en de zoon tot stand te brengen.
7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de in art. 80a lid 1 RO vermelde grond.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Zie de eindbeschikking van de kinderrechter d.d. 3 juli 2012, blz. 3.