ECLI:NL:PHR:2013:CA0728
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid hoger beroep in verzetprocedure volgens art. 40 Wtbz
De zaak betreft een geschil over de ontvankelijkheid van hoger beroep in een verzetprocedure zoals geregeld in art. 40 van Pro de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz). [Verweerster] had als advocaat declaraties ingediend tegen [verzoekster], waarbij de rechtbank zich onbevoegd verklaarde en de begrotingsprocedure van de Wtbz van toepassing werd verklaard. Na vaststelling van het honorarium en een bevel tot tenuitvoerlegging door de voorzieningenrechter, stelde [verzoekster] verzet in.
De rechtbank oordeelde dat de dagvaardingsprocedure van toepassing was en gaf [verzoekster] de mogelijkheid het verzet via dagvaarding voort te zetten. Het hof vernietigde deze beslissing en bepaalde dat in de verzetprocedure procesvertegenwoordiging niet verplicht was. De rechtbank verklaarde het verzet uiteindelijk ongegrond, waarna [verzoekster] hoger beroep instelde tegen een tussenvonnis en eindvonnis.
Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat hoger beroep tegen een tussenvonnis slechts samen met het eindvonnis kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders bepaalt. Het hof stelde dat de herstelmogelijkheid van [verzoekster] was overschreden en dat het hoger beroep te laat was ingesteld. De Hoge Raad bevestigt dat het rechtsmiddelenverbod in art. 40 lid 3 Wtbz Pro in beginsel geldt, maar dat cassatie mogelijk is bij doorbrekingsgronden. Het hof heeft de regels van het burgerlijk procesrecht juist toegepast en het beroep verworpen.
Uitkomst: Het hof heeft het hoger beroep in de verzetprocedure terecht niet-ontvankelijk verklaard en de Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.