ECLI:NL:PHR:2013:CA0793

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/03084
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 429sexies SrArt. 138 SrArt. 138a SrArt. 551a SvArt. 184 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing artikel 429sexies Sr bij kraken van panden bestemd voor sloop

In deze zaak stond de toepassing van artikel 429sexies van het oude Wetboek van Strafrecht centraal, dat strafbaarstelling van kraken regelde voor panden waarvan het rechtmatig gebruik niet langer dan twaalf maanden was beëindigd. De verdachte werd veroordeeld wegens het niet voldoen aan een vordering tot ontruiming van een gekraakt pand dat minder dan een jaar leegstond en bestemd was voor sloop.

De verdediging voerde onder meer aan dat het huisrecht van de verdachte was geschonden omdat hij het pand als woning in gebruik had genomen. De Hoge Raad bevestigde dat het huisrecht ontstaat door feitelijk gebruik als woning, maar dat een kortdurend verblijf, zoals in deze zaak van minder dan zes uur, niet automatisch tot huisrecht leidt. Bovendien was niet gebleken dat de verdachte een privaat huiselijk leven in het pand voerde of dat huishoudelijke goederen daadwerkelijk in gebruik waren genomen.

Daarnaast werd betwist of artikel 429sexies Sr van toepassing was op slooppanden. De Hoge Raad stelde dat deze strafbepaling ook slooppanden beschermt zolang de eigenaar niet onherroepelijk afstand heeft gedaan van zijn recht op het pand. De bescherming geldt om de eigenaar een redelijke termijn te geven om een bestemming voor het leegstaande pand te vinden, ook als het pand gesloopt zal worden.

De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde de rechtmatigheid van de veroordeling en de toepassing van artikel 429sexies Sr in deze context. Het arrest verduidelijkt de reikwijdte van het huisrecht en de strafrechtelijke bescherming tegen kraken, ook bij panden die op sloop staan.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens niet voldoen aan vordering tot ontruiming op grond van artikel 429sexies Sr.

Conclusie

Nr. 11/03084
Mr. Hofstee
Zitting: 5 maart 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 14 juni 2011 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1 en 2 meest subsidiair "Opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast; en: Een door hem wederrechtelijk in gebruik genomen gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd, op vordering vanwege de rechthebbende niet aanstonds ontruimen; in eendaadse samenloop begaan" veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/03084, 11/03085, 11/03086, 11/03087, 11/03088, 11/03089, 11/03090, 11/03091, 11/03092, 11/03093, 11/03094, 11/03095, 11/03096, 11/03097, 11/03098, 11/03099, 11/03100, 11/03101 en 11/03102. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verzoeker heeft mr. C.J.M. van den Brûle, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Ten laste van verzoeker is onder 1 en 2 meest subsidiair bewezen verklaard dat:
"1.
hij op 9 januari 2009 te Breda opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 429 sexies Pro, gedaan door [verbalisant 1] (inspecteur van politie Midden en West Brabant), die was belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem meermalen had gevorderd de panden aan de [a-straat 1 t/m 10] te verlaten, geen gevolg gegeven aan die vordering;
2.
hij op 9 januari 2009 te Breda een door hen(1) wederrechtelijk in gebruik genomen gebouw, aan de [a-straat 1 t/m 10], waarvan het gebruik door de rechthebbende (Woningbouwvereniging Laurentius) niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname was beëindigd, op vordering vanwege de rechthebbende niet aanstonds heeft ontruimd;"
5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
"1.
Ambtsedig proces-verbaal bevindingen van 13 januari 2009, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier van politie, dossierpagina's 19 en 20, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming en bevindingen van verbalisanten:
Op 9 januari 2009 kregen wij omstreeks 14.37 uur een telefoontje binnen van [betrokkene 1], medewerkster bewonersbelangen van de woningbouwvereniging Laurentius te Breda. Zij maakte melding van een probleem aan de [a-straat 1 t/m 10].
Ter plaatse gekomen deelde zij ons mede dat zojuist de panden [a-straat 1 t/m 10] werden gekraakt. [Betrokkene 1] gaf aan dat al deze panden eigendom waren van de genoemde woningbouwvereniging en dat deze panden gesloopt zouden gaan worden.
[Betrokkene 1] gaf ons aan dat de eerste woning in februari 2008 en de laatste woning in juli 2008 leeg was gekomen. In ieder geval stonden al deze woningen korter dan een jaar leeg.
[Betrokkene 1] deelde ons mede dat deze woningen werden gesloopt vanwege de onveilige staat, onder andere betonrot, en dat dit ook de reden was dat er geen antikraak was ingezet om kraken tegen te gaan.
Wel deelde [betrokkene 1] ons mede dat alle toegangen tot de panden middels houten platen waren afgesloten en dat door de woningbouwvereniging maatregelen waren genomen met betrekking tot de nuts- en sanitaire voorzieningen.
Wij verbalisanten zagen dat in diverse woningen van het flatgebouw en op verschillende balkons, personen aanwezig waren, deels met door middel van shawls en capuchons bedekte gezichten.
Twee van de op het trottoir staande personen deelden ons mede een woordvoerder en een contactpersoon van de krakers te zijn.
Deze personen deelden ons mede dat de woningen momenteel werden gekraakt en dat zij zich de toegang tot de panden hadden verschaft door aan de achterzijde van het gebouw via het dak van een bestelbus, op de eerste galerij te klimmen en dat hierna de houten afdichtingen voor de toegangsdeuren van de panden waren verwijderd en de voordeuren waren geforceerd.
Nadat door ons aan deze twee personen was medegedeeld dat de panden korter dan een jaar leegstonden deelde men ons mede dat aan geen enkele vordering zou worden voldaan, dat men zogenaamde lock-ons had meegenomen en dat men de panden ging barricaderen teneinde een ontruiming te voorkomen.
Hierop is door ons de inspecteur van politie [verbalisant 1] ter plaatse verzocht.
2.
Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 31 mei 2011 voor zover deze als verklaring van de getuige [verbalisant 3] inhoudt, zakelijk weergegeven:
Bij ons meldden zich twee personen die medeelden dat zij de vertegenwoordigers van de krakers waren. Wij zeiden hen dat wij overleg met de woningbouwvereniging Laurentius hadden gehad en dat zij wilden dat de krakers het pand zouden verlaten. Ook vertelden we dat de gekraakte panden minder dan een jaar leegstonden. Zij zeiden dat aan geen enkele vordering zou worden meegewerkt.
3.
Ambtsedig proces-verbaal bevindingen van 21 januari 2009, opgemaakt door [verbalisant 1], inspecteur van politie Midden en West Brabant, dossierpagina's 17 en 18, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming en bevindingen van verbalisant:
Op 9 januari 2009 was ik verbalisant [verbalisant 1] in dienst als Officier van Dienst van de Politie District Breda. Ik verbalisant [verbalisant 1] was tevens dienstdoende Hulpofficier van Justitie. Ik verbalisant [verbalisant 1], was in een herkenbaar politieuniform gekleed.
Op vermelde datum om omstreeks 15.00 uur kreeg ik via de verbalisant [verbalisant 4] de mededeling dat hij aanwezig was bij een pand gelegen aan de [a-straat] te Breda, alwaar men het betreffende pand zou hebben gekraakt.
Ik verbalisant [verbalisant 1] ben ter plaatse gekomen en heb gesproken met vertegenwoordigers van woningbouwvereniging Laurentius, zijnde de eigenaren van het pand. Ik heb gesproken met de medewerksters van Laurentius [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Bij dit gesprek was eveneens aanwezig de veiligheidscoördinator van de gemeente Breda, [betrokkene 3].
Men gaf aan dat het gekraakte pand, bestaande uit verschillende appartementen, gelegen op de [a-straat 1-10] te Breda, minder dan een jaar leeg stond (het hof begrijpt: dat alle appartementen van het gekraakte pand minder dan een jaar leeg stonden). Tevens waren de winkels onder de panden nog in gebruik. Het noodtrappenhuis zou op last van de brandweer niet meer gebruikt kunnen worden, en de vorige bewoners moesten vertrekken, mede omdat hun veiligheid niet meer kon worden gegarandeerd. Tevens was er geen sanitair, gas, water en licht meer in het pand aanwezig.
De toegang tot het pand zou men zich onrechtmatig hebben verschaft door het weghalen c.q. verbreken van houten platen die voor ramen danwel deuren waren gespijkerd. In het pand zouden een twintigtal krakers aanwezig zijn.
Op 9 januari 2009 heb ik verbalisant [verbalisant 1] om omstreeks 16.50 uur via de megafoon van een politievoertuig aan de aanwezigen in het pand, meerdere malen te kennen gegeven dat de aanwezigen in het vermelde pand, waren aangehouden, dat men het pand diende te verlaten en dat bij geen medewerking geweld kon worden gebruikt. Geen van de aanwezigen gaf gehoor aan deze oproep.
Op 9 januari 2009 om omstreeks 21.20 uur heb ik de eerder omschreven vordering danwel woorden van gelijke strekking drie maal herhaald. Men gaf hier geen gehoor aan, waarna tot ontruiming van het pand is overgegaan. Hierbij zijn meerdere aanhoudingen verricht welke zijn vastgelegd in aparte processen verbaal van aanhouding.
4.
Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 31 mei 2011 voor zover deze als verklaring van de getuige [verbalisant 1] inhoudt, zakelijk weergegeven:
Vervolgens ging ik ter plekke. Daar sprak ik met een vertegenwoordiger van de Woningbouwvereniging Laurentius en twee woordvoerders van de krakers. De eerste gaf aan dat het pand ontruimd moest worden, de laatste twee woordvoerders deelden mede dat de krakers aan geen enkele vordering zouden meewerken.
5.
Ambtsedig proces-verbaal van aanhouding van 10 januari 2009, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden hoofdagent van politie, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming en bevindingen van verbalisanten:
Op 10 januari 2009 te 00.10 uur hielden wij de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats], aan in het wooncomplex [a-straat 1-15] te Breda. De reden voor aanhouding was dat verdachte niet voldeed aan het ambtelijk bevel dat wooncomplex te verlaten."
6. Alvorens de middelen te bespreken, zal ik het hier relevante wettelijk kader schetsen en daarbij kort stilstaan bij het op 1 oktober 2010 in werking getreden art. 551a Sv inzake de strafvorderlijke ontruiming van kraakpanden.
I. Inleidende beschouwingen
7. In de onderhavige zaak staat een strafbepaling centraal die - na de pleegdatum van de bewezenverklaarde feiten - op 1 oktober 2010 is komen te vervallen. Het gaat om art. 429sexies (oud) Sr dat het volgende inhoudt:
"1. Hij die een door hem wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd, op vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds ontruimt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, vertoevende in een wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd zich op de vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds verwijdert."
8. Artikel 429sexies (oud) Sr was op 1 juli 1993 bij Wet van 1 oktober 1992 houdende regelen met betrekking tot woonruimte(2) als een overtreding in Titel II "Overtredingen betreffende de openbare orde" van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht ingevoerd en heeft tot 1 oktober 2010 gegolden.(3) Het artikel diende te worden gezien als een verlenging van de toen reeds bestaande bescherming die art. 138 Sr Pro (huisvredebreuk) bood tegen het kraken van een woning of een lokaal bij een ander in gebruik (de zogenoemde verlengde gebruiksbescherming). Ten aanzien van de term gebruik in art. 138 Sr Pro heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 februari 1971, LJN AB3474, NJ 1971/385 m.nt. Bronkhorst geoordeeld dat daaronder, in overeenstemming met het normale spraakgebruik, 'feitelijk gebruik' moet worden verstaan. Anders evenwel dan art. 138 Sr Pro had art. 429sexies (oud) Sr niet betrekking op woningen die in gebruik zijn, maar juist op woningen waarvan het rechtmatig gebruik is geëindigd.(4) Laatstgenoemde bepaling zag op leegstaande panden die onrechtmatig als woning in gebruik werden genomen.
9. Artikel 429sexies (oud) Sr is op 1 oktober 2010 bij de "Wet van 24 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Leegstandswet en enige andere wetten in verband met het verder terugdringen van kraken en leegstand" (ook wel de Wet kraken en leegstand genoemd, Stb. 2010, 320) vervangen door art. 138a Sr.(5) Deze strafbepaling luidt als volgt:
"1. Hij die in een woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk binnendringt of wederrechtelijk aldaar vertoeft, wordt, als schuldig aan kraken, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. De in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen."
10. Omdat kraken als een onaanvaardbare en verharde vorm van eigenrichting wordt beschouwd, waarbij het eigendomsrecht op ontoelaatbare wijze wordt aangetast(6), is dit feit in art. 138a Sr als misdrijf aangemerkt. En anders dan in art. 429sexies (oud) Sr het geval was, is de strafbaarheid van kraken sinds 1 oktober 2010 niet afhankelijk gesteld van leegstand, laat staan van de duur daarvan. In die zin voorziet art. 138a Sr in een algehele strafbepaling waarbij het er niet toe doet of de woning dan wel het gebouw leegstaat of dat de woning onderscheidenlijk het gebouw al dan niet bij een ander in gebruik is.(7)
11. De aan verzoeker tenlastegelegde feiten zijn blijkens de bewezenverklaringen gepleegd op 9 januari 2009, dus nog op het moment dat art. 429sexies (oud) Sr van kracht was en voordat de hiervoor onder 8 weergegeven wetswijziging plaatsvond. In dat verband heb ik mij de vraag gesteld of art. 138a Sr wellicht niet een voor verzoeker gunstiger bepaling als bedoeld in art. 1, tweede lid, Sr betreft, nu het arrest van het Hof van 14 juni 2011 dateert. Mijns inziens moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Artikel 138a Sr stelt het kraken van een woning immers als misdrijf strafbaar met (bijgevolg) een andere hoofdstraf en een hoger strafmaximum dan waarvan in art. 429sexies (oud) Sr sprake was. Ik meen dan ook dat het Hof in dit opzicht met juistheid art. 429sexies (oud) Sr in het voorliggende geval heeft toegepast.
12. Voor de volledigheid merk ik op dat bij de Wet kraken en leegstand tevens op 1 oktober 2010 art. 551a Sv is ingevoerd. Deze bepaling houdt in:
"In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht kan iedere opsporingsambtenaar de desbetreffende plaats betreden. Zij zijn bevoegd alle personen die daar wederrechtelijk vertoeven, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of te doen verwijderen."
13. Met deze bepaling heeft de wetgever in een leemte voorzien die was ontstaan na het arrest van HR 9 oktober 2009, LJN BJ1254, NJ 2010/213 m.nt. Mevis. Wat was het geval? In de destijds bestaande rechtspraak bestond verdeeldheid in de standpunten met betrekking tot de vraag of door middel van invoering van art. 429sexies (oud) Sr ook een wettelijke basis voor strafrechtelijke ontruiming was geschapen. Met een beroep op de wetsgeschiedenis werden strafvorderlijke ontruimingen van kraakpanden door de politie op last van het Openbaar Ministerie op basis van art. 429sexies (oud) Sr (dan wel op grond van art. 2 Politiewet Pro) door de Hoge Raad onwettig geoordeeld.(8) Thans ligt aan deze ontruimingen op strafvorderlijke titel dus een wettelijke basis ten grondslag.(9) Terzijde merk ik op dat de nieuwe wettelijke regeling er niet aan in de weg staat dat de eigenaar van een pand die ontruiming wil vorderen de rechtsgang van art. 5:2 BW Pro bij de burgerlijke rechter kan volgen.(10)
14. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen, aldus art. 12, eerste lid, Gw. Blijkens deze grondwettelijke bepaling is voor het wonen het huisrecht ingeruimd.
15. Het huisrecht is als grondrecht beschermd in art. 8 EVRM Pro.(11) Voor zover hier relevant bepaalt het eerste lid daarvan dat een ieder recht heeft op respect voor zijn woning en het tweede lid dat inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van het huisrecht niet is toegestaan dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van onder meer het voorkomen van strafbare feiten of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.
16. Volgens HR 14 december 1914, NJ 1915, p. 368-370 ontstaat het huisrecht door de "feitelijke bewoning" van een pand. Bij toepassing van dit criterium is het niet van belang of de bewoning al dan niet op enig (eigendoms)recht berust. In zijn arrest van 4 september 2007, LJN BA4943, NJ 2007/491 heeft de Hoge Raad dit nog eens bevestigd. Ik teken daarbij aan dat de Hoge Raad in andere uitspraken het criterium als "feitelijk als woning in gebruik" heeft verwoord.(12) Het lijkt erop dat de Hoge Raad met deze formulering aansluiting heeft willen zoeken bij het bepaalde in art. 138 Sr Pro. Mij spreekt de laatstgenoemde formulering (met de wat normatieve inslag) meer aan dan de eerstgenoemde, omdat het huisrecht zich ook kan manifesteren nog voordat het pand feitelijk wordt bewoond, bijvoorbeeld als er werkzaamheden worden uitgevoerd met de intentie om na voltooiing daarvan het pand te gaan bewonen.(13) Voorts is een langdurig verblijf geen voorwaarde om van bewoning of een woning te kunnen spreken. Dat neemt niet weg dat een kort verblijf er op kan duiden dat er feitelijk niet gewoond zal zijn.(14)
17. Verdedigbaar is het standpunt dat het privacy karakter van het huisrecht zich verzet tegen een toetsing aan de precieze motieven van een persoon om een bepaalde ruimte als woning te betrekken. De rechter heeft zich dan te onthouden van een dergelijke toetsing. Daaruit vloeit weer voort dat de rechter niet feitelijk hoeft na te gaan of bepaalde faciliteiten zoals gas, stromend water en elektriciteit aanwezig zijn.(15)
18. Uit het bepaalde in art. 12, eerste lid, Gw kan worden afgeleid dat voor aanvaarding van een huisrecht een woning en een bewoner nodig zijn. Dat klinkt simpeler dan het is. Omdat de Grondwetgever zich nauwelijks heeft uitgelaten over het begrip woning, ontspon zich vanaf de jaren tachtig in de negentiende eeuw in de staatsrechtliteratuur een langdurige discussie over dit begrip en dan vooral ook over de vraag in welke gevallen nog van een woning sprake is.(16) Dat een hotelkamer als woning kan gelden en dat een (aan een student of stewardess) verhuurde kamer in een woonhuis op zichzelf ook weer een woning kan zijn, zal denk ik niemand meer bestrijden, als de betrokkene maar van deze ruimte gebruik kan maken zonder dat hij daarvoor andermans gebied behoeft te betreden.(17) Maar of dat ook kan gelden voor een tent, een ruimte in een werkplaats of een cel van een gedetineerde?(18)
19. Anders dan de Grondwetgever heeft de wetgever zich wel meermalen over het begrip woning uitgelaten, zo onder meer in de MvT bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Algemene wet op het binnentreden (Awbi)(19): "Over het begrip woning valt het volgende op te merken. Het grondrecht van de onschendbaarheid van de woning beschermt de huisvrede, dat wil zeggen het ongestoord verblijf in een ruimte die tot exclusief verblijf voor een persoon of een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende personen ingericht en beschermd is. Het huisrecht strekt tot bescherming van dit ongestoorde gebruik van de woning en dus niet tot bescherming van de eigendom of de huur ervan". Elders, in de MvA bij het voorstel tot verandering van de Grondwet voor wat betreft de bepalingen over het binnentreden in woningen, is het begrip woning omschreven als een van de buitenwereld afgesloten plaats waar iemand zijn privaat huiselijk leven leidt of pleegt te leiden.(20) Mevis is in zijn dissertatie op deze kwesties nader ingegaan en vat uiteindelijk samen dat hoewel een sluitende definitie niet is te geven en tot op zekere hoogte elk geval naar de eigen feitelijke omstandigheden beoordeeld moet worden, een woning in beginsel elke plaats is "waar iemands privé-huiselijk leven zich naar zijn eigen ervaring afspeelt".(21)
20. Soms wordt in de literatuur bij het definiëren van een woning van bewoningswil gesproken.(22) Als ik het goed zie doelt daarop ook mijn ambtgenoot AG Huydecoper in zijn conclusie vóór HR 12 maart 2004, LJN AO0967. Hij schrijft dat allereerst feitelijke handelingen nodig zijn, die aan de inhoud van het begrip 'wonen' beantwoorden, maar dat daarnaast ook de bedoeling ('bewoningswil') en de mogelijkheid om ten volle de andere relevante bezigheden uit te oefenen een rol kunnen spelen. Niettemin kan volgens hem 'wonen' enkel op feitelijke handelingen wordt aangenomen, zij het onder de mits dat deze enige tijd hebben geduurd. Verder moet de ruimte die wordt bewoond een privaat karakter bezitten, nu het huisrecht tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer strekt. Wanneer zonder legitieme titel gebruik wordt gemaakt van een pand, geldt naar het inzicht van Huydecoper een strengere eis en dient de bewoningswil buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wijst hij erop dat de aanspraak op bescherming van het huisrecht dient te steunen op het daadwerkelijk gebruik van het pand. In geval van kraken is het louter binnendragen van meubels nog niet een bezigheid die als 'wonen' kan worden aangemerkt, maar nog slechts als een begindaad van het kraken, aldus Huydecoper in zijn conclusie.(23)
21. Woning in de betekenis van art. 8 EVRM Pro moet in beginsel worden verstaan als een plaats waar iemand op vaste basis woont.(24) Deze plaats is volgens het EHRM de fysiek bepaalde omgeving waar iemands privé- en familieleven zich afspeelt.(25) Het huisrecht is een grondrecht en daarom wordt de "loss of home" door het EHRM als een zware inbreuk op het huisrecht beschouwd.(26) Ter vaststelling daarvan dient te worden onderzocht of er "sufficient continuing links" tussen het individu en het pand bestaan.(27) Begrepen onder deze "sufficient continuing links" zijn bijvoorbeeld het ontvangen van post op het woonadres, het regelmatig gezien worden in en rondom het pand en het betalen van onderhoudskosten.(28) Onder omstandigheden lijken vakantiehuizen wel maar een hotelkamer niet als woning aangemerkt te kunnen worden.(29) Klaarblijkelijk gaat het EHRM met de tijd van de huidige ontwikkelingen op het gebied van het thuiswerken mee door in bepaalde gevallen - waarin een scheidslijn tussen het 'nieuwe werken' vanuit huis en het privéleven in de woning lastig te trekken valt - ook het 'kantoor' aan huis als woning te beschouwen(30), hetgeen naar mijn mening aansluit bij de Franstalige tekst van art. 8 EVRM Pro betreffende het (ruimere) begrip "domicile". Voorts kan ook de intentie om op een bepaalde plek te gaan wonen en aldus daar een privéleven inhoud te geven, bij een legitieme titel een woning opleveren, zo blijkt uit de zaak Gillow v. The United Kingdom.(31) Als ik het goed zie hoeft volgens het EHRM de bewoning niet noodzakelijkerwijs (altijd) legaal te zijn: de "unlawfulness" van de bewoning van een pand staat er op zichzelf nog niet aan in de weg om het pand als 'woning' te kwalificeren.(32) Ook illegaal wonen is dus blijkens de rechtspraak van het EHRM wonen.
22. Bewoner is dan degene die het verblijf (al dan niet rechtmatig) in gebruik heeft als woning of anders gezegd degene wiens privaat huiselijk leven zich er afspeelt.(33)
II. Bespreking van de middelen
23. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich met een aantal klachten tegen de verwerping door het Hof van het verweer van de verdediging dat inbreuk is gemaakt op het aan verzoeker toekomend huisrecht.
24. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De verdediging heeft aangevoerd dat bij het optreden van de politie vormen zijn verzuimd op grond waarvan ingevolge artikel 359a Wetboek van Strafvordering de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van verdachte.
Er zijn volgens de verdediging vormen verzuimd doordat:
1. inbreuk is gemaakt op het aan verdachte toekomende huisrecht met betrekking tot de door hem gekraakte woning;
(...)
Het hof zal hierna eerst bezien of sprake is van een of meer vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering.
Ten aanzien van 1: Huisrecht
De verdediging heeft ter onderbouwing aangevoerd dat verdachte huisrecht had opgebouwd met betrekking tot de door hem gekraakte woning. Daardoor was de politie niet gerechtigd om binnen te treden, verdachte aan te houden en vervolgens de woning te ontruimen. Dit huisrecht was volgens de verdediging gevestigd doordat verdachte kookgerei, bestek, slaapspullen, telefoons met opladers en stoelen en tafels, welke in die woning waren gebracht, in gebruik had genomen en aldus die woning feitelijk als woning gebruikte.
Het hof stelt voorop dat degenen die zich op het huisrecht kunnen beroepen, de personen zijn die een woning feitelijk als woning in gebruik hebben. Naar het oordeel van het hof was hiervan nog geen sprake. Het hof betrekt daarbij de korte duur van het verblijf van verdachte in de woning. Verdachte kraakte met anderen op 9 januari 2009 omstreeks 14.37 uur verschillende woningen in een appartementencomplex, welke woningen diezelfde dag omstreeks 21:20 uur weer werden ontruimd. Naar het oordeel van het hof is in dat tijdsbestek van nog geen zes uur geen ongestoord woongenot opgebouwd, omdat de krakers daarin vanaf het begin van hun bezetting door de politie werden gehinderd. Ook verder is niet gebleken dat verdachte in genoemde tijd een privé-huiselijk leven in een van de gekraakte woningen heeft geleid. Voorts is niet vast komen te staan dat verdachte en de anderen de door de verdediging genoemde huishoudelijke goederen, voor zover al
aanwezig, daadwerkelijk in gebruik hadden genomen.
Nu verdachte geen huisrecht had met betrekking tot de door hem gekraakte woning stond dit aan binnentreden, aanhouding en ontruiming door de politie niet in de weg en is in zoverre van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv geen sprake. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.
(...)."
25. De toelichting op het middel behelst ten eerste de klacht dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat verzoeker en de anderen het gebouw (nog) niet feitelijk als woning in gebruik hadden. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt op welk tijdstip verzoeker de woning heeft betreden en (ii) dat derhalve evenmin vaststaat dat verzoeker vanaf het begin van zijn verblijf in de woning door de politie werd gehinderd, zodat op grond van het voorgaande de vaststelling van het Hof dat het verblijf van verzoeker in de woning omstreeks 14:37 uur is aangevangen niet dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
26. Deze klacht berust kennelijk op de opvatting dat de feiten en/of omstandigheden die het Hof aan de verwerping van het verweer ten grondslag heeft gelegd - meer in het bijzonder het tijdstip van betreden van de in het complex gelegen woningen door verzoeker - uit te bezigen bewijsmiddelen dienen te volgen en dat, nu het Hof de bewijsmiddelen waaraan deze feiten en/of omstandigheden zijn ontleend niet nader heeft aangegeven, de verwerping van het verweer ontoereikend heeft gemotiveerd. Naar mijn mening ziet de steller van het middel met deze klacht eraan voorbij dat het aangehaalde verweer van de raadsvrouw met betrekking tot het tijdstip van aanvang van het kraken van de betreffende woning(en) is gevoerd in het kader van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en dat de in dat verband door het Hof vastgestelde feiten en/of omstandigheden niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring dat verzoeker het aan hem tenlastegelegde feit heeft begaan. Het Hof was dan ook niet gehouden wettige bewijsmiddelen in het arrest op te nemen enkel en alleen ter weerlegging van een niet-ontvankelijkheidverweer (dan wel een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting).(34) Overigens merk ik op dat door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep geheel in het midden is gelaten op welk tijdstip verzoeker de in het complex gelegen woning dan wel zou hebben betreden en gekraakt, terwijl volgens de inhoud van bewijsmiddel 1 de verbalisanten op 9 januari 2009 om 14.37 uur een telefoontje kregen van de medewerkster bewonersbelangen van de woningbouwvereniging Laurentius ([betrokkene 1]) dat er een probleem aan de [a-straat 1 t/m 10] was en dat ter plaatse door een woordvoerder en een contactpersoon van de krakers aan de verbalisanten werd meegedeeld dat op dat moment de woningen werden gekraakt en dat men de panden ging barricaderen teneinde een ontruiming te voorkomen. De onderhavige klacht is mijns inziens dan ook tevergeefs voorgesteld.
27. In de tweede plaats beoogt (de toelichting op) het middel kennelijk te klagen dat het oordeel van het Hof dat verzoeker geen huisrecht toekomt van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, nu verzoeker verbleef in een woning, zijnde een ruimte die voldoende besloten is om er een huisrecht in te vestigen en een kort tijdsbestek niet in de weg hoeft te staan aan het vestigen van een huisrecht. Naar het mij voorkomt treft ook deze klacht gelet op het navolgende geen doel. Dat een kraker die tegen de wil van de eigenaar een leeg pand betrekt, een pand dus dat niet als woning in gebruik is, onder omstandigheden als bewoner van dat pand met een privaat huiselijk leven kan worden aangemerkt en in dat verband een huisrecht toekomt is in het licht van hetgeen ik hierover in 14 - 17 heb opgemerkt niet aan twijfel onderhevig. Een kort tijdsbestek sluit de mogelijkheid van het vestigen van een huisrecht niet per definitie uit, al zal het wel een indicatie voor het tegendeel kunnen zijn. Los daarvan is de korte duur van het verblijf van verzoeker in de woning niet de enige factor die het Hof bij de verwerping van het verweer heeft betrokken. Daarnaast heeft het Hof ter verwerping van het verweer erop gewezen dat naar zijn feitelijke vaststelling de krakers al terstond, vanaf het begin van hun bezetting, door de politie werden gehinderd en voorts dat niet is gebleken dat verzoeker een privaat huiselijk leven in een van de gekraakte woningen heeft geleid, mede in aanmerking genomen dat evenmin is komen vast te staan dat verzoeker en de anderen de door de raadsvrouw genoemde huishoudelijke goederen - voor zover al aanwezig - daadwerkelijk in gebruik hadden genomen.(35) In dat verband verdient opmerking dat in cassatie niet wordt gesteld dat de laatstgenoemde aan de verwerping van het verweer ten grondslag gelegde vaststelling van het Hof onjuist of ontoereikend gemotiveerd zou zijn.
28. Voor zover de toelichting op het middel voorts de klacht bevat dat het recht van verzoeker op een aan de ontruiming voorafgaande rechterlijke toetsing is geschonden en dat het optreden van de politie derhalve onrechtmatig is geweest, wijs ik erop dat deze klacht eerst in cassatie wordt voorgesteld. Weliswaar is ter terechtzitting van het Hof van 31 mei 2011 door de raadsvrouw een beroep gedaan op de onrechtmatigheid van de ontruiming, maar daaraan was - uitgaande van een aan verzoeker toekomend huisrecht - enkel naar voren gebracht dat een wettelijke grondslag voor de ontruiming zou ontbreken en niet dat verzoekers recht op een voorafgaande rechterlijke toetsing zou zijn geschonden. Daarom kan lijkt mij aan deze klacht in cassatie worden voorbijgegaan, te meer nu in (de toelichting op) het middel niet wordt geklaagd over het niet responderen van het Hof op het verweer van de raadsvrouw dat een wettelijke grondslag voor ontruiming zou ontbreken.
29. Naar mijn inzicht heeft het Hof het verweer van de verdediging met betrekking tot de gestelde inbreuk op het huisrecht van verzoeker op juiste gronden en niet onbegrijpelijk alsook toereikend gemotiveerd verworpen. Nu dit oordeel niet van een verkeerde rechtsopvatting getuigt, was het Hof niet gehouden tevens te responderen op de - uit de andersluidende opvatting van de raadsvrouw voortvloeiende - betogen van de raadsvrouw inzake het (volgens haar) onrechtmatig binnentreden van de woning en de onrechtmatige aanhouding van verzoeker; deze betogen berusten immers op de door de raadsvrouw veronderstelde maar zich niet voorgedaan hebbende inbreuk op het huisrecht. Ook deze klacht is dus vruchteloos voorgesteld.
30. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
31. Het tweede middel komt op tegen zowel de verwerping door het Hof van het verweer dat van 'gebruik' in de zin van art. 429sexies (oud) Sr geen sprake is wanneer het pand leegstaat in afwachting van sloop, alsook tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat delen van het pand langer dan twaalf maanden leegstonden. De bewezenverklaring zou in dat licht bezien niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed.
32. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
"Ten aanzien van de feiten l en 2 meest subsidiair
De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 onder meer aangevoerd dat de vordering niet krachtens wettelijk voorschrift is gegeven omdat zij niet op artikel 429sexies Sr kon worden gebaseerd.
Het hof stelt voorop dat in beginsel pas sprake is van een bevel of vordering als bedoeld in artikel 184 Sr Pro indien voor het doen van die vordering een uitdrukkelijke wettelijke grondslag te vinden is. Die grondslag wordt hier gezocht in artikel 429sexies Sr.
De verdediging heeft echter betwist dat artikel 429 sexies Pro Sr in het gegeven geval van toepassing was. In verband daarmee is aangevoerd:
A. van "gebruik" als bedoeld in artikel 429 sexies Pro Sr is geen sprake als het pand leegstaat in afwachting van sloop;
B. delen van het pand stonden langer dan twaalf maanden leeg;
(...)
Daaromtrent overweegt het hof het navolgende.
Ten aanzien van A: "gebruik" in de zin van artikel 429 sexies Pro Sr
Het hof stelt voorop dat artikel 429 sexies Pro Sr. een "verlengde gebruiksbescherming" biedt voor een woning of gebouw waarvan het rechtmatig gebruik binnen een jaar voorafgaande aan het kraken een einde heeft genomen. Anders dan de rechter in eerste aanleg vindt het hof in de geschiedenis noch in de ratio van art. 429sexies Sr een aanknopingspunt voor de opvatting, dat dit voorschrift niet van toepassing zou zijn op slooppanden.
De strafbaarstelling is gegeven in het belang van de gerechtigde van het gebouw, die gedurende dat eerste jaar van de leegstand een extra bescherming geniet tegen wederrechtelijke ingebruikname (kraken), alsmede in het belang van de openbare orde. Dit betekent dat die materiële wederrechtelijkheid pas dan zal kunnen ontbreken, indien de gerechtigde onherroepelijk afstand van zijn recht op het gebouw heeft gedaan. In elk ander geval heeft de gerechtigde belang bij het gedurende dat jaar vrijelijk kunnen bepalen wat hij met het gebouw zal doen. Daaronder valt tevens te begrijpen het belang om op dat punt van mening of voornemen te veranderen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is met betrekking tot het gekraakte pand gebleken dat dit zou worden gesloopt vanwege de onveilige staat, onder andere betonrot, en dat dit ook de reden was dat door de woningbouwvereniging geen antikraak was ingezet om kraken tegen te gaan. Alle toegangen tot de panden waren door middel van houten platen afgesloten en de woningbouwvereniging had maatregelen genomen met betrekking tot de nuts- en sanitaire voorzieningen. Deze waren uit het pand verwijderd.
Het hof is van oordeel dat de woningbouwvereniging Laurentius ook onder deze omstandigheden bescherming kon ontlenen aan artikel 429 sexies Pro Sr; daarbij neemt het in aanmerking dat niet is gebleken dat de woningbouwvereniging onherroepelijk afstand had gedaan van haar recht op het gebouw. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.
Ten aanzien van B: periode van leegstand
De verdediging heeft ter onderbouwing van dit verweer ter terechtzitting een uittreksel GBA overgelegd met betrekking tot een aantal woningen in het gekraakte gebouw. Daaruit zou volgens de verdediging volgen dat de bewoners meer dan een jaar voor 9 januari 2009 uit de gekraakte woningen waren vertrokken.
Uit het overgelegde uittreksel GBA volgt dat de meerderheid van de bewoners minder dan een jaar voor 9 januari 2009 uit hun woning in het gekraakte gebouw is vertrokken. Een minderheid was reeds meer dan een jaar eerder vertrokken. Dit laatste staat echter, naar het oordeel van het hof, niet in de weg aan een bewezenverklaring van dit onderdeel van het ten laste gelegde, nu het een kraakactie betrof waarbij de krakers gezamenlijk alle woningen in het complex kraakten.
(...)
Gelet op het vorenstaande is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat de vordering wel op artikel 429sexies Sr kon worden gebaseerd."
33. In de toelichting op het middel wordt met betrekking tot de klacht betreffende de verwerping van het verweer dat van 'gebruik' als bedoeld in art. 429sexies (oud) Sr geen sprake is als het pand leegstaat in afwachting van sloop, naar voren gebracht dat - anders dan het Hof overweegt - zowel de wetsgeschiedenis als de ratio van art. 429sexies (oud) Sr aanleiding geeft om art. 429sexies (oud) Sr niet toe te passen indien voortzetting van het gebruik door de rechthebbende niet in de rede ligt, zoals bijvoorbeeld bij concrete sloopplannen het geval is. Daartoe wordt aangevoerd dat art. 429sexies (oud) Sr de eigenaar een redelijke termijn beoogt te geven om een bestemming voor zijn leegstaande pand te vinden, en dat bij slooppanden doorgaans bij voorbaat vaststaat dat deze bestemming niet binnen die redelijke termijn zal worden gevonden, dan wel bij voorbaat vaststaat dat de eigenaar van een te slopen pand van deze termijn geen gebruik zal gaan maken om een bestemming te vinden. Volgens de steller van het middel doet de laatstgenoemde grond zich in de voorliggende zaak voor, nu de panden op 9 januari 2009 (pleegdata bewezenverklaarde feiten, AG) al geruime tijd op de nominatie voor sloop stonden, en voorts uit de omstandigheid dat daartoe de panden waren dichtgetimmerd, de nutsvoorzieningen waren verwijderd, de (sloop)plannen reeds waren gemaakt en de wijze waarop de politie de panden bij de ontruiming op 9 januari 2009 vernielde, af te leiden valt dat de woningbouwvereniging Laurentius geen andere bedoeling met de panden had dan ze te slopen. Het eveneens in art. 429sexies (oud) Sr besloten liggende belang van het tot stand brengen van een rechtvaardige en evenwichtige verdeling van schaarse woonruimte, werd zo bezien niet gediend, aldus de steller van het middel.
34. Vooropgesteld dient te worden dat - zoals het Hof met juistheid heeft gedaan, en in cassatie ook niet wordt betwist - bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van art. 184 Sr Pro de rechter dient te onderzoeken of (voor zover hier relevant) de vordering rechtmatig is gegeven alsmede, indien terzake verweer is gevoerd, van dat onderzoek te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen.(36)
35. Het Hof heeft vooropgesteld dat de uitdrukkelijke wettelijke grondslag die art. 184 Sr Pro eist, in het onderhavige geval wordt gezocht in art. 429sexies (oud) Sr. In respons op het verweer van de verdediging dat art. 429sexies (oud) Sr toepassing mist, nu van 'gebruik' in de zin van deze bepaling geen sprake is als het pand leegstaat in afwachting van sloop, overweegt het Hof dat het - anders dan de rechter in eerste aanleg(37) - noch in de geschiedenis, noch in de ratio van art. 429sexies (oud) Sr een aanknopingspunt vindt voor de opvatting dat dit voorschrift niet van toepassing zou zijn op slooppanden. Daarbij merkt het Hof op dat de strafbaarstelling zowel in het belang van de gerechtigde van het gebouw is gegeven, in die zin dat deze gedurende het eerste jaar van de leegstand een extra bescherming geniet tegen wederrechtelijke ingebruikname (kraken), alsmede in het belang van de openbare orde. Daaruit leidt het Hof af dat die materiële wederrechtelijkheid pas dan zal kunnen ontbreken indien de gerechtigde onherroepelijk afstand van zijn recht op het gebouw heeft gedaan, en dat in elk ander geval de gerechtigde belang heeft bij het gedurende een jaar vrijelijk kunnen bepalen wat hij met het gebouw zal doen, waaronder begrepen is het belang om op dat punt van mening of voornemen te veranderen. Het voorgaande brengt het Hof tot de slotsom dat, nu niet is gebleken dat de Woningbouwvereniging Laurentius als rechthebbende onherroepelijk afstand had gedaan van haar recht op het gebouw, zij onder de genoemde omstandigheden bescherming kon ontlenen aan art. 429sexies (oud) Sr. Mitsdien kon de vordering op dit voorschrift worden gebaseerd.
36. De vraag is of in de totstandkominggeschiedenis van de Huisvestingswet(38) - de wet waarbij art. 429sexies (oud) Sr in het Wetboek van Strafrecht werd ingevoerd(39) - al dan niet aanknopingspunten zijn te vinden voor de stelling dat een slooppand buiten het toepassingsbereik van art. 429sexies (oud) Sr valt. Alvorens deze vraag te beantwoorden komt het mij dienstig voor hieronder enkele relevante passages uit de Kamerstukken (betreffende de Huisvestingswet), waarin dus op doel en strekking van art. 429sexies (oud) Sr wordt ingegaan, weer te geven.
37. De Memorie van Toelichting(40) houdt terzake in:
"Het wederrechtelijk in gebruik nemen of hebben van een woning of een gebouw binnen een half jaar nadat het rechtmatig gebruik is geëindigd, is in het wetsvoorstel strafbaar gesteld. In feite wordt hiermee een lijn bestendigd die in de jurisprudentie over huisvredebreuk al zichtbaar werd. Deze <> komt in de plaats van de aan het leegstandregister gekoppelde strafbaarheid van het kraken ingevolge de Leegstandwet. De strafbaarheid van het wederrechtelijk in gebruik nemen en het niet aanstonds voldoen aan een verzoek van de eigenaar tot ontruiming zijn gekoppeld aan de termijn van een half jaar(41), omdat de eigenaar een redelijke termijn moet worden gegund om een bestemming voor zijn leegstaand pand te vinden. De periode van een half jaar na rechtmatige beëindiging van het gebruik acht ik daarvoor voldoende, mede gelet op de mogelijkheid van het naamloos dagvaarden ingevolge de Leegstandwet vanaf 1 januari 1987. In gemeenten waarin een woondistributiestelsel van kracht is, zal het daarnaast vanzelfsprekend strafbaar zijn om een onder dat stelsel vallende woonruimte in gebruik te nemen zonder huisvestingsvergunning."
38. In de Memorie van Antwoord(42) wordt opgemerkt:
"Het lid van de G.P.V.-fractie vond de voorgestelde regeling van de strafbaarstelling van het kraken tweeslachtig, omdat deze aan een termijn van een half jaar is gekoppeld. In dit verband wees hij er tevens op dat ook het zonder vergunning in gebruik nemen van een distributiewoning strafbaar is. Hij vroeg wat de materiële betekenis van deze laatste bepaling is en of er voor de gemeenteraden nog sprake is van een aanvullende bevoegdheid.
De termijn van een half jaar waarbinnen het wederrechtelijk gebruik van een woning of gebouw strafbaar is, hangt samen met het karakter van de voorgestelde bepaling. Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet, moet die gezien worden als een verlenging van de bescherming die op dit moment al bestaat in gevallen waarin een in gebruik zijnde woning of gebouw wordt "gekraakt". Aan deze "verlengde gebruiksbescherming" moet uit de aard der zaak na een bepaalde periode een einde komen, omdat niet tot in lengte van jaren mag worden aangenomen dat sprake is van tijdelijke leegstand. Dat wil niet zeggen dat het kraken van woningen of gebouwen na afloop van die periode niet meer wederrechtelijk is. Het betekent wel dat de eigenaar dan uitsluitend zal zijn aangewezen op de hem krachtens het privaatrecht en het burgerlijk procesrecht ten dienste staande middelen.
De strafbaarheid van het zonder vergunning in gebruik nemen van een distributiewoning dient een ander doel, namelijk de handhaving van een publiekrechtelijk voorschrift. Het is juist dat ook de eigenaar onder omstandigheden gebaat kan zijn bij die handhaving, maar dat is niet de reden voor deze strafbaarstelling. Daarnaast zal de gemeente de feitelijke ontruiming van een zonder vergunning in gebruik genomen distributiewoonruimte kunnen bewerkstelligen met bestuursdwang.
De ruimte voor een aanvullende bevoegdheid bij het tegengaan van het kraken van woonruimten en gebouwen zal mijns inziens niet groot kunnen zijn. De omvang van die bevoegdheid wordt bepaald door het motief van de door de gemeente te stellen regels. De mij bekende "anti-kraakbepalingen" in gemeentelijke verordeningen strekken alle uitdrukkelijk ter bescherming van de openbare orde. De rechtspraak heeft deze verordeningen tot nu toe, naast de in het Wetboek van Strafrecht opgenomen bescherming van het huisrecht, toelaatbaar geacht, omdat de motieven verschillend waren. Het oogmerk van de bescherming van de openbare orde ligt evenwel ook ten grondslag aan de in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen bepaling, waaraan een plaats is toegedacht in Titel II van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht (Overtredingen betreffende de openbare orde). Nu uitdrukkelijk gekozen is voor een beperking van de strafrechtelijke bescherming tot zes maanden na het leegkomen van de betrokken woonruimten en gebouwen, hebben de gemeenten mijns inziens niet de ruimte om met hetzelfde motief een verdergaande strafrechtelijke bescherming bij verordening tot stand te brengen."
39. De Nota naar aanleiding van het eindverslag(43) legt uit:
"De leden van de GPV-fractie stelden nog enige vragen over de voorgestelde regeling van de strafbaarheid van het kraken, waarmee zij problemen zeiden te houden. Zij waren van oordeel dat de wet onder alle omstandigheden een mogelijkheid zou moeten bieden om in het belang van de openbare orde tegen krakers op te treden, en informeerden in het bijzonder naar de aanvullende verordenende bevoegdheid van de gemeenten. In dat verband informeerden zij tevens naar de verhouding tussen de beoogde "verlengde gebruiksbescherming" en het belang van de openbare orde.
Mijn betoog in de memorie van antwoord kon - door zijn beknoptheid en door het onvoldoende uit elkaar houden van de begrippen "motief" en "onderwerp" van een regeling - inderdaad het misverstand oproepen dat er een tegenstelling bestaat tussen het oogmerk om (in aanvulling op artikel 138 van Pro het Wetboek van Strafrecht) een "verlengde gebruiksbescherming" te bieden, en het onderbrengen van het voorgestelde nieuwe artikel in de titel "Overtredingen tegen de openbare orde". Zo'n tegenstelling is er niet, hetgeen alleen al kan blijken uit het feit dat artikel 138 zelf Pro is ondergebracht in de titel "Misdrijven betreffende de openbare orde". Anders dan artikel 138 heeft Pro het voorgestelde artikel 429 sexies Pro echter niet betrekking op woningen en gebouwen die in gebruik zijn, maar juist op woningen en gebouwen waarvan het rechtmatig gebruik is geëindigd. Daarmee is het object gelijk aan dat van de mij bekende gemeentelijke anti-kraakbepalingen. Mijn betoog in de memorie van antwoord beoogde aan te geven dat ook op het punt van het motief voor strafbaarstelling niet gauw een aanvullende bevoegdheid voor de gemeenten zal kunnen worden aangenomen. Ik wees er in dat verband op dat de gemeentelijke anti-kraakbepalingen steeds - evenals artikel 429 sexies Pro - zijn opgenomen onder de bepalingen betreffende de openbare orde, wat een aanwijzing kan zijn dat ook de motieven vergelijkbaar zijn. Het is juist dat het begrip "openbare orde" zoals dat in het Wetboek van Strafrecht en in het gemeenterecht wordt gebruikt, nog tamelijk ruim is. Ik wil er daarom in dit verband nog op wijzen dat het voorgestelde artikel 429 sexies Pro uitdrukkelijk de bescherming beoogt van de eigenaar tegen inbreuken op zijn eigendomsrecht, een oogmerk dat naar ik meen ook ten grondslag ligt aan de bestaande gemeentelijke anti-kraakbepalingen. In de jurisprudentie wordt dat althans wel als een kenmerkend verschil genoemd met het oogmerk van artikel 138 van Pro het Wetboek van Strafrecht, dat de gebruiker beschermt tegen inbreuken op de "huisvrede" of "lokaalvrede". Voor zover dit motief aan de orde is, bestaat mijns inziens geen aanvullende bevoegdheid meer, omdat ook het object van de regelingen immers hetzelfde is, terwijl het wetsvoorstel voorts uitdrukkelijk de strafbaarheid beperkt tot de duur van zes maanden.
Of het wenselijk is het kraken ook na de genoemde zes maanden strafbaar te stellen, dan wel de gemeenten daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid te bieden, is een andere vraag. Op dat punt verschil ik kennelijk van mening met de leden van de GPV-fractie. Ik wil er in dit verband op wijzen dat de strafbaarstelling van het kraken in de Leegstandwet nauw verband hield met de eveneens in die wet geregelde verplichte registratie van leegstaande woningen en gebouwen. Nu de verplichte leegstandregistratie niet opnieuw in dit wetsvoorstel is opgenomen, kon de strafbaarheid van het kraken daar niet langer aan worden verbonden, maar lag het anderzijds ook niet voor de hand om die strafbaarheid uit te breiden. Dit wil overigens niet zeggen dat na de genoemde zes maanden in het geheel niet meer tegen krakers zal kunnen worden opgetreden. Alleen al het feit dat ook in gemeenten waarin geen anti-kraakverordening geldt, uitzettingen plaatsvinden, betekent dat die conclusie voorbarig zou zijn."
40. Bij de bespreking van het betreffende wetsvoorstel in de Tweede Kamer(44) verdient de volgende passage vermelding:
"De heer Lankhorst vroeg naar de praktische betekenis van de strafbaarstelling van kraken. De praktische betekenis lijkt mij dat een eigenaar gedurende enige tijd, naast de mogelijkheden van het privaatrecht, een extra bescherming kan ontlenen aan het strafrecht. Gedurende een zekere tijd is zo'n bescherming gerechtvaardigd. Het kost meestal wat tijd voordat een nieuwe huurder of koper een lege woning in gebruik kan nemen. Wanneer er geen enkele strafrechtelijke bescherming is, is de eigenaar volledig op het privaatrecht aangewezen. De mogelijkheid van anoniem dagvaarden heeft het in dit soort zaken tot een in beginsel haalbare weg gemaakt. Immers, vroeger was dat nauwelijks mogelijk. Maar die weg is niet eenvoudig, zeker niet als het gaat om een "kleine" eigenaar-bewoner of een "kleine" verhuurder. Vooral als het om onvermijdelijke frictieleegstand gaat, is een aanvullende bescherming door het strafrecht wenselijk. Het is waar dat de jurisprudentie over artikel 138 inzake Pro huisvredebreuk in het Wetboek van Strafrecht in dit soort gevallen soms al enige extra bescherming biedt. De heer De Jong heeft hiernaar geïnformeerd. In welke gevallen dat zo is en in hoeverre dat precies gaat, is voor velen onduidelijk. Een heldere termijn in de wet lijkt mij dan ook uit een oogpunt van duidelijkheid gewenst. Een aantal leden heeft over de termijn gesproken. Ik stel voorop, dat elke harde grens per definitie arbitrair is. Toch moet er een grens komen omwille van de duidelijkheid. Er moet dus een keuze gemaakt worden. De heer De Jong, mevrouw Jorritsma en de heer Schutte zagen een verschil met de termijn van een jaar in de Leegstandwet. De heer De Jong liet het vooralsnog bij het informeren naar de argumentatie voor het verschil. Mevrouw Jorritsma heeft samen met de heer Schutte een amendement ingediend op stuk nr. 22, dat ertoe strekt om de termijn weer tot een jaar terug te brengen. Ik kan moeilijk hard maken waarom er beslist volstaan moet worden met een termijn van zes maanden. Het gaat om een duidelijke termijn. Dus voor de termijn van twaalf maanden is ook iets te zeggen. Dit is al een zekere vingerwijzing voor het amendement. Maar ik wil ook wel graag in tweede termijn de argumenten vernemen. Ik geef de Kamer in dit verband nog wel het volgende in overweging.
Dit geeft mij wel het gevoel dat de termijn van zes maanden nog niet zo gek is. Zo is er allereerst minder verschil met de gedachte achter de termijn in de Leegstandwet dan hier verondersteld is door mevrouw Jorritsma en de heer Schutte. Ook de Leegstandwet gaat er kennelijk van uit dat een periode van ongeveer een half jaar in de meeste gevallen voldoende moet zijn om een nieuwe gebruiker te vinden. Immers, na vijf maanden leegstand moet de gemeente binnen twee weken vordering overwegen. Zij mocht daar slechts om zwaarwegende redenen van afzien. Hierbij gaat het dus om termijnen van een halfjaar en vijf maanden. Hier komen een aantal aanvullende overwegingen bij. Zo zal in de meeste gevallen een eigenaar wel binnen zes maanden een nuttige aanwending van de woonruimte of het gebouw kunnen vinden, ook al is dat een tijdelijke aanwending. Na zes maanden is kraken ook bepaald niet toegestaan Ik meen dat de heer Leerling hierover heeft gesproken. Het mag niet binnen zes maanden en het mag niet erna. Hier hebben wij het uitsluitend over de vraag hoe lang de extra strafrechtelijke bescherming geboden moet worden. Wij moeten zuinig zijn met een extra beroep op het "strafrechtelijk apparaat". Na die zes maanden is de eigenaar ook niet ineens onbeschermd. Hij is dan wel op andere mogelijkheden via het privaatrecht aangewezen. In tweede termijn wil ik graag de gedachtenwisseling over de termijn van zes maanden of van twaalf maanden voortzetten, als de Kamer deze overwegingen bij haar beschouwingen heeft willen betrekken."
41. Het hiervoor genoemde amendement van de leden Jorritsma-Lebbink en Schutte hield het volgende in:
"In artikel 96 wordt Pro in artikel 429 sexies Pro, eerste en tweede lid, de zinsnede "zes maanden" telkens vervangen door: twaalf maanden.
Toelichting
Dit amendement beoogt een grotere bescherming van woningen en gebouwen tegen kraken te bieden, en is analoog aan hetgeen in de door het parlement aangenomen Leegstandswet was voorzien."(45)
42. De Staatssecretaris Heerma van Volkshuisvesting heeft omtrent genoemd amendement het volgende opgemerkt:
"Ik kom thans bij het amendement van mevrouw Jorritsma en de heer Schutte op stuk nr. 22 en bij het amendement van de heer Lankhorst op stuk nr. 41. De heer Koetje heeft goed begrepen dat ik geen bezwaar heb tegen een termijn van twaalf maanden in plaats van zes maanden. Daarom is mijn preadvies inzake het amendement op stuk nr. 22 dat ik het aan het oordeel van de Kamer wil overlaten.
Ik wil nog een enkele opmerking maken over de verder in verband met dit onderwerp genoemde punten, waarbij de afweging ertoe leidt om het aan het oordeel van de Kamer over te laten. De heren Koetje en De Jong stelden nog een vraag over de voordelen van de extra strafrechtelijke bescherming. Het privaatrecht zal in de regel in deze situaties omslachtiger zijn en meer zelfredzaamheid vergen dan het strafrecht. In het strafrecht kunnen een eigenaar-bewoner en een kleine verhuurder naar de politie stappen en de politie kan, als dit onder het strafrecht komt, straks iets voor hem of haar doen. De extra belasting van het strafrechtelijke apparaat valt inderdaad voor een deel weg tegen de vermindering van de belasting van de burgerlijke rechter. De heer Koetje heeft daarop gewezen. Dat is een juiste signalering. De beperkte duur van de strafrechtelijke bescherming is ook door de heer Leerling aan de orde gesteld. Ik kom op de heer Leering nog terug. Ik verwijs ook naar mijn antwoord in eerste termijn. De heer De Jong heeft opnieuw verwezen naar artikel 461 van Pro het Wetboek van Strafrecht. In eerste termijn heb ik gewezen op het heel voorzichtig zijn met de capaciteit bij de extra strafrechtelijke bescherming, met de mogelijkheden die er zijn. Ik wil er nog eens nadrukkelijk op wijzen dat een eigenaar, of het nu na zes maanden is of na twaalf maanden, niet rechteloos is. Dit voorstel is van meet af aan in het wetsvoorstel opgenomen geweest. Het is ontleend aan de Leegstandwet. Er zijn ook geen alternatieven genoemd in de schriftelijke voorbereiding. Het lijkt mij goed om deze lijn te volgen. Ik laat het echter aan het oordeel van de Kamer over of het zes of twaalf maanden moet zijn. Het zoeken is naar een redelijke termijn. En die is in elk geval meer dan nul. Daarmee ontraad ik aanvaarding van het amendement van de heer Lankhorst. Met de preadvisering van het andere amendement heb ik ook aangegeven welke motieven mij tot die conclusie leiden."(46)
43. Uit de vorengenoemde parlementaire stukken, voor zover hierboven weergegeven, leid ik wat betreft doel en ratio van art. 429sexies (oud) Sr af dat:
i) het voorschrift met betrekking tot woningen en gebouwen waarvan het rechtmatig gebruik is geëindigd moet worden aangemerkt als een verlenging van de gebruiksbescherming die al bestond in gevallen waarin een in gebruik zijnde woning of lokaal wordt gekraakt (art. 138 Sr Pro);
ii) de termijn van twaalf maanden is bedoeld om de eigenaar een redelijke termijn te gunnen om een bestemming voor zijn leegstaande pand te vinden, zodat - in vergelijking met de aanvankelijk voorgestelde zes maanden termijn - een grotere bescherming van woningen en gebouwen tegen kraken wordt geboden;
iii) het voorschrift uitdrukkelijk de bescherming van de eigenaar tegen inbreuken op zijn eigendomsrecht en in het verlengde daarvan (verdergaand) de bescherming van de openbare orde beoogt.
44. In voornoemde karakteristieken of doelstellingen is mijns inziens bepaald niet een aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat art. 429sexies (oud) Sr toepassing zou missen indien sprake is van een slooppand. Duidelijk is immers dat de bepaling primair strekt tot bescherming van het eigendomsrecht van de eigenaar; deze geniet twaalf maanden strafrechtelijke bescherming tegen inbreuken op zijn eigendomsrecht. Binnen die twaalf maanden is hij vrij in de wijze waarop hij invulling geeft aan dat eigendomsrecht. Dat de Huisvestingswet blijkens de considerans tot doel heeft "een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte te bevorderen"(47) maakt het voorgaande mijns inziens niet anders, nu de wetgever er voor heeft gekozen om genoemde bepaling niet in de Huisvestingswet zelf, maar juist als een overtreding betreffende de openbare orde in het Wetboek van Strafrecht op te nemen ter bescherming van de belangen van eigenaren van woningen en gebouwen (ook als die gebouwen geen woningen zijn). Daardoor werd ruimte geboden voor een doelstelling die de strekking van de Huisvestingswet te buiten zou gaan.(48)
45. Gelet op het voorgaande komt het oordeel van het Hof dat in de geschiedenis noch in de ratio van art. 429sexies (oud) Sr een aanknopingspunt is te vinden voor de opvatting dat dit voorschrift niet van toepassing is op slooppanden alsook het in de overwegingen van het Hof besloten liggend oordeel dat art. 429sexies (oud) Sr pas toepassing mist indien de eigenaar van het pand onherroepelijk afstand heeft gedaan van zijn recht op het pand, waarvan in de voorliggende zaak niet is gebleken, mij juist voor. Ik meen dat de onderhavige klacht faalt.
46. Ter onderbouwing van de tweede klacht - betreffende de verwerping van het verweer dat delen van het pand langer dan twaalf maanden leegstonden - wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat 's Hofs vaststelling dat uit het overgelegde uittreksel GBA volgt dat de meerderheid van de bewoners minder dan een jaar voor 9 januari 2009 uit hun woning in het gekraakte gebouw is vertrokken, en een minderheid reeds meer dan een jaar eerder was weggegaan, in tegenspraak is met de in de bewijsmiddelen weergegeven verklaringen dat alle appartementen van het gekraakte complex minder dan een jaar leegstonden. Voorts wordt aangevoerd dat het Hof met zijn overweging dat de omstandigheid dat een minderheid van de bewoners reeds meer dan een jaar eerder was vertrokken niet aan een bewezenverklaring van het tenlastegelegde onderdeel "niet meer dan twaalf maanden" in de weg staat nu het een kraakactie betrof waarbij de krakers gezamenlijk alle woningen in het complex kraakten, miskent dat ingevolge het bepaalde in art. 429sexies (oud) Sr de leegstand per pand, per wooneenheid of winkel dient te worden bezien.
47. Ik stel voorop dat voor een bewezenverklaring van art. 429sexies (oud) Sr in het onderhavige verband vereist is dat de woning of het gebouw niet langer dan twaalf maanden voorafgaand aan de wederrechtelijke ingebruikname heeft leeggestaan. Alleen in een dergelijk geval geniet de rechthebbende strafrechtelijke bescherming. In de voorliggende zaak betreft het gekraakte object een voormalig appartementencomplex bestaande uit 18 appartementen(49), welke appartementen alle eigendom waren van woningbouwvereniging Laurentius. Blijkens de bewezenverklaring in samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen beschouwd heeft verzoeker dit gehele pand samen met anderen - er wordt in de bewezenverklaring immers gesproken over een door 'hen' gekraakt gebouw(50) - wederrechtelijk in gebruik genomen. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden wat betreft de duur van de leegstand van genoemde appartementen een verklaring in van [betrokkene 1], medewerkster bewonersbelangen van de rechthebbende van het appartementencomplex (woningbouwvereniging Laurentius), inhoudende dat de betreffende appartementen tussen februari 2008 en juli 2008 - derhalve minder dan twaalf maanden voor de pleegdatum van 9 januari 2009 - leeg waren gekomen.
48. Het Hof heeft in reactie op het verweer van de verdediging dat delen van het pand langer dan twaalf maanden leegstonden overwogen dat de omstandigheid dat uit een door de verdediging overgelegd uittreksel GBA volgt dat een aantal bewoners van de panden meer dan twaalf maanden voor de pleegdatum uit hun woning waren vertrokken, niet aan een bewezenverklaring van het tenlastegelegde "niet meer dan twaalf maanden" in de weg staat, nu het een kraakactie betrof waarbij de krakers gezamenlijk alle woningen in het complex kraakten. Ook dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat in de overweging van het Hof dat alle woningen in het complex door verzoeker en zijn medeverdachten waren gekraakt besloten ligt dat het hele complex door verzoeker en zijn medeverdachten als dadergroep (krakers) is gekraakt en dat door verzoeker en zijn medeverdachten als groep tevens woningen in gebruik waren genomen die korter dan twaalf maanden leegstonden. Daarbij merk ik op dat door de verdediging niet is gesteld dat door verzoeker en zijn medeverdachten uitsluitend woningen in gebruik waren genomen die langer dan twaalf maanden leegstonden.
49. Afsluitend merk ik op dat de overweging van het Hof dat uit het door de verdediging overgelegde GBA-overzicht blijkt dat een minderheid van de bewoners zich meer dan twaalf maanden voor het kraken van het pand had uitgeschreven, niet tot gevolg heeft dat het Hof voor wat betreft het moment van leegstand geen geloof kon hechten aan de verklaring van de medewerkster bewonersbelangen van de rechthebbende (woningbouwvereniging Laurentius). Het moment van uitschrijving uit de GBA hoeft immers niet samen te vallen met het moment waarop het feitelijk gebruik van het appartement een einde neemt. Van een innerlijke tegenstrijdigheid in het bestreden arrest is naar mijn mening dan ook geen sprake.
50. Nu ook deze klacht tevergeefs is voorgesteld, faalt het middel in al zijn onderdelen.
51. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
52. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Als dit niet "hem" maar inderdaad "hen" is, is denk ik kennelijk per abuis het tenlastegelegde "tezamen en in vereniging met een ander of anderen" weggevallen. Over dit punt wordt in cassatie echter niet geklaagd.
2 De Huisvestingswet, Stb. 1992, 548 en Stb. 1993, 234.
3 Zie over de wetsgeschiedenis van art. 429sexies (oud) Sr de conclusie van de toenmalige AG Van Dorst vóór HR 10 juni 1997, NJ 1997/738.
4 Kamerstukken II 1991/92, 20 520, nr. 11, p. 28 (Nota naar aanleiding van het Eindverslag). Zie nader onder 39.
5 Zie Stb. 2010, 321.
6 Kamerstukken II 2007/08, 31 560, nr. 3, p. 3-8 (MvT).
7 Daarvan te onderscheiden is de huisvredebreuk met betrekking tot een bij een ander in gebruik zijnde woning, strafbaar gesteld in art. 138 Sr Pro.
8 Zie over de wetgeving met betrekking tot kraken van woningen en panden ook de aan het arrest voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer.
9 Vgl. HR 28 oktober 2011, LJN BQ9880 (rov. 3.2.2.): de tekst van art. 551a Sv, mede gelezen in het licht van de totstandkominggeschiedenis, maakt duidelijk dat de wetgever heeft beoogd de voorheen bestaande, door HR 9 oktober 2009, LJN BJ 1254, NJ 2010/213 onwettig geoordeelde, praktijk van strafrechtelijke ontruimingen op grond van verdenking van overtreding van art. 138 Sr Pro of art. 429sexies (oud) Sr te kunnen continueren door ontruimingen op strafvorderlijke titel van een wettelijke basis te voorzien.
10 Kamerstukken I 2009/10, 31 560, nr. C, p. 25.
11 Zie over dit onderwerp de dissertatie van A.Q.C. Tak, Het huisrecht, the inviolability of the home, 1973 en B-J. Koops, H. van Schooten en M. Prinsen, Recht naar binnen kijken, Een toekomstverkenning van huisrecht, lichamelijke integriteit en nieuwe opsporingstechnieken, 2004, p. 33 e.v.
12 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse vóór HR 4 september 2007, LJN BA4943, NJ 2007/491 waarin hij attendeert op HR 2 februari 1971, LJN AB3474, NJ 1971/385, HR 24 juni 1980 LJN AC6932, NJ 1980/625 en HR 22 september 1987, LJN AC9967, NJ 1988/286.
13 Zie HR 24 juni 1980, LJN AC6932, NJ 1980/625.
14 Zie in Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het wetboek van strafrecht, art. 138, aant. 4 (bijgewerkt tot 1 mei 2007).
15 Vgl. HR 22 september 1987, LJN AC9967, NJ 1988/286.
16 Voor een weergave van deze discussie die teruggaat tot 1815 verwijs ik naar Tak, a.w., p. 10 e.v.
17 Zie P.J. Wattèl, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, 1985, p. 218. In die zin ook W.P. Bakhoven, Bevoegdheden tot inbeslagneming en huiszoeking, TvS 1939, p. 295.
18 Vgl. HR 1 oktober`1985, NJ 1986/349 waaruit kan worden afgeleid dat een cel niet is gelijk te stellen aan een woning.
19 Zie hierover F. Vellinga-Schootstra in Handboek Strafzaken, onderdeel 13. Betreden van plaatsen (13.5 De algemene wet op het binnentreden).
20 Kamerstukken I 1997/98, 25 442, nr. 231b, p. 2.
21 P.A.M. Mevis, Binnen zonder kloppen?, 1989, p.16.
22 NLR, a.w., art. 138, aant. 2.
23 Ingeval van een legitieme titel kan wel snel een huisrecht worden gevestigd. Zie HR 22 september 1987, LJN AC9967, NJ 1988/286.
24 Zie C.J. Staal, De vaststelling van de reikwijdte van de rechten van de mens, 1995, p. 227 e.v.. Overigens merk ik daarbij op dat de reikwijdte van art. 8 EVRM Pro verder strekt dan een woning, nu onder home of domicile onder omstandigheden ook bedrijfs- of beroepsruimten kunnen worden begrepen.
25 Zie EHRM 16 november 2004, nr. 4143/02, §53 (Moreno Gómez v. Spain) en EHRM 2 november 2006, nr. 599909/00 §76 (Giacomelli v. Italy).
26 EHRM 13 mei 2008, nr. 19009/04 (McCann v. The United Kingdom) en EHRM 21 september 2010, nr. 37341/06 (Kay and Others v. The United Kingdom).
27 EHRM 24 november 1986, nr. 9063/80, §46 (Gillow v. The United Kingdom).
28 EHRM 18 november 2004, nr. 58255/00 (Prokopovich v. Russia).
29 EHRM 11 oktober 1988, nr. 12474/86 (Kanthak v. Federal Republic of Germany) en EHRM 26 juni 2001, nr. 39022/97 (O'Rourke v. The United Kingdom).
30 EHRM 16 december 1992, nr. 13170/88, § 29-31 (Niemietz v. Federal Republic of Germany).
31 Zie noot 28.
32 EHRM 25 september 1996, nr. 20348/92 (Buckley v. The United Kingdom), EHRM 27 mei 2004, nr. 66746/01 (Connors v. The United Kingdom) en EHRM 13 mei 2008, nr. 19009/04 (McCann v. The United Kingdom).
33 Vellinga-Schootstra, Handboek Strafzaken, 13.5.3.(a) en Koops, Van Schooten en Prinsen, a.w., p. 21.
34 Zie o.m. HR 2 oktober 2012, LJN BX5166, HR 23 oktober 2007, LJN BA5851, NJ 2008/69 en HR 15 mei 2007, LJN AZ6101.
35 Vgl. de hierboven onder 20 door de AG Huydecoper genoemde opmerking over het binnendragen van meubels.
36 O.a. HR 27 maart 2007, LJN AZ6007, NJ 2007/193 (rov. 3.5).
37 De Politierechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat het louter aanhouden van een pand in afwachting van sloop niet binnen de reikwijdte van de verlengde gebruiksbescherming die art. 429 sexies Pro (oud) Sr beoogt te bieden valt (sloop is niet een vorm van gebruik), zodat de vordering onrechtmatig is gegeven.
38 Stb. 1992, 548 en Stb. 1993, 234.
39 Zie onder punt 8 van deze conclusie.
40 Kamerstukken II 1987/88, 20 520, nr. 3, p. 53.
41 Later verruimd tot een jaar.
42 Kamerstukken II 1990/91, 20 520, nr. 5, p. 51.
43 Kamerstukken II 1991/92, 20 520, nr. 11, p. 28-29.
44 Handelingen II 1991/92 (20 februari 1992), 55-3564.
45 Kamerstukken II 1991/92, 20 520, nr. 22.
46 Handelingen II 1991/92 (27 februari 1992), 58-3727. Amendement nr. 41 strekte tot het ongedaan maken van strafbaarstelling door middel van art. 429sexies (oud) Sr.
47 De kern van het wetsvoorstel is gelegen in art. 2 lid 2 Huisvestingswet Pro: een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de woonruimte voor mensen met de lagere inkomens (Handelingen I 1992/93, 29 september 1992, p. 2-87).
48 Zie de conclusie van de plv. PG Mok vóór HR 11 januari 2002, LJN AD7322, NJ 2002/167, onder 2.4.7.3 en 2.4.7.4.
49 De oneven nummers 217 t/m 227, elk onderverdeeld in a t/m c.
50 Zie mijn noot 1.