ECLI:NL:PHR:2013:CA0795

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/04338
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep cassatie in noodweerexceszaak

In deze zaak betrof het cassatieberoep een veroordeling voor doodslag waarbij het hof het noodweerexcesverweer van verdachte verwierp. Verdachte stelde dat hij in paniek handelde nadat hij door meerdere personen werd aangevallen en door pepperspray weinig zicht had. Het hof oordeelde echter dat de verdachte betrokken was bij een man-tegen-man-gevecht en doelgericht handelde, waardoor zijn reactie disproportioneel was binnen het kader van noodweerexces.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof zijn oordeel begrijpelijk had gemotiveerd en dat het middel van de verdediging tegen deze motivering niet slaagde. Daarnaast klaagde de verdediging over overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase. De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering vanwege deze termijnoverschrijding.

Hiermee bleef het oordeel van het hof ongewijzigd en werd het cassatieberoep afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de strafzaak.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het hof het noodweerexcesverweer terecht verwierp.

Conclusie

Nr. 11/04338
Mr. Aben
Zitting 23 april 2013
Standpunt c.q. conclusie inzake:
[Verdachte]
Het eerste middel bestrijdt de feitelijke grondslag op basis waarvan het hof een noodweer(exces)-verweer heeft verworpen.
Blijkens de (ongenummerde) pleitnotities overeenkomstig welke de raadsman heeft gepleit, is namens de verdachte aangevoerd dat hij in paniek heeft gestoken nadat hij door het gebruik van pepperspray weinig meer kon zien en nadat hij werd geslagen en getrapt door diverse mensen. Dat het hof dit verweer (blijkens de bespreking ervan in het aangevochten arrest) aldus heeft verstaan, acht ik derhalve geenszins onbegrijpelijk.
Thans wordt in cassatie aangevoerd dat de paniek die bij de verdachte zou hebben geleid tot de doodslag reeds het gevolg was van het enkele feit dat hij door meer mensen werd aangevallen.
Het middel miskent echter dat het hof het noodweer(exces)-verweer heeft verworpen omdat het hof een andere toedracht heeft vastgesteld, waarin de verdachte enkel verwikkeld was in een man-tegen-man-gevecht, de verdachte niet wild om zich heen heeft gestoken, maar doelgericht, en het hof deze reactie - ook binnen het bestek van noodweerexces - volstrekt disproportioneel acht.
Daarmee komt het middel op tegen een geenszins onbegrijpelijke motivering van de verwerping van een ovar-verweer.
Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de redeljike termijn in de fase van cassatie.
De klachten kunnen worden afgedaan op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,