AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging arrest wegens onduidelijkheid over afgifte verblijfsvergunning als goed in oplichting
In deze zaak werd verdachte veroordeeld wegens oplichting door zich onder een valse naam te laten registreren voor een verblijfsvergunning in het kader van de Pardonregeling. Het hof oordeelde dat een verblijfsvergunning een 'goed' is in de zin van art. 326 SrPro, omdat het een beschikking is die economische waarde kan hebben voor de houder.
Verdediging voerde aan dat een verblijfsvergunning een bestuursbesluit is en geen goed in de zin van art. 326 SrPro, maar het hof verwierp dit verweer. De bewezenverklaring berustte op verklaringen, documenten van de IND en onderzoek van het bureau Documenten, waaruit bleek dat verdachte zich voordeed als een ander persoon en een fotokaart met zijn eigen pasfoto op naam van die ander opstuurde.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof over de kwalificatie van de verblijfsvergunning als goed niet onjuist is, maar dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de IND daadwerkelijk een verblijfsvergunning heeft afgegeven. Hierdoor faalt het bewijs voor het ten laste gelegde feit.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het betrekking heeft op het onder 2 ten laste gelegde en de strafoplegging en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs van afgifte verblijfsvergunning.
Conclusie
Nr. 12/00159
Mr. Vellinga
Zitting: 26 maart 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1 "Valsheid in geschrift" en 2 "Oplichting" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.
2. Namens verdachte heeft mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel betreft feit 2 en klaagt over de verwerping van het verweer van de verdediging inhoudende dat een verblijfsvergunning geen "goed" is in de zin van art. 326 SrPro, doch een beslissing van een bestuursorgaan.
4. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotitie, het verweer gevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, omdat een verblijfsvergunning niet aan te merken is als een 'goed' in de zin van artikel 326 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Onder een 'goed' in de zin van artikel 326 vanPro het Wetboek van Strafrecht, moet worden verstaan elk goed dat vatbaar is om voor de bezitter (economisch of anderszins) waarde te hebben.
Een verblijfsvergunning, een beschikking van een bestuursorgaan, is een vergunning die iemand over het algemeen moet hebben om te kunnen wonen en werken in een land waarvan die persoon geen staatsburger is. Een verblijfsvergunning belichaamt rechten en aanspraken. Derhalve heeft het (in economische zin) waarde voor de bezitter ervan en kan het worden aangemerkt als een 'goed' in de zin van artikel 326 vanPro het Wetboek van Strafrecht (zie ook HR 6.10.1992, LJN ZC9117). Het hof verwerpt het verweer."
5. In aanmerking genomen dat een verblijfsvergunning een beschikking van een bestuursorgaan is die wordt afgegeven in de vorm van een document of schriftelijke verklaring (art. 8, onder a jo. art. 9 lid 1 VreemdelingenwetPro 2000) en dus als zodanig vatbaar is voor afgifte in de in art. 326 SrPro bedoelde zin(1) geeft het oordeel van het Hof dat een verblijfsvergunning een goed is in de zin van art. 326 SrPro geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 6 oktober 1992, NJ 1993, 101).(2)
6. Het middel faalt.
7. Op de vraag of een verblijfsvergunning een goed is in de zin van art. 326 SrPro is, voor zover ik heb kunnen nagaan door de Hoge Raad nog niet eerder beslist. Derhalve ligt toepassing van art. 81 ROPro hier niet in de rede.
8. Het tweede middel betreft eveneens feit 2 en houdt in uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat sprake is geweest van afgifte van een verblijfsvergunning door de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
9. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 09 juli 2008 tot en met 23 juli 2008 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft bewogen tot de afgifte van een verblijfsvergunning in het kader van de Pardonregeling, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk een formulier Bijlage Fotokaart op naam van [betrokkene 1] ondertekend en voorzien van zijn pasfoto en zich aldus voorgedaan als [betrokkene 1], waardoor de Immigratie- en Naturalisatiedienst werd bewogen tot bovenomschreven afgifte."
10. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 september 2010 van de politie Haaglanden met nr. PL15J6 2010123071-
6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 50 t/m 51):
als de op 7 september 2010 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik heb iemand anders zijn identiteit gebruikt. Dat zijn de volgende personalia: [betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1983 te China. Mijn echte personalia zijn [verdachte], geboren [geboortedatum] 1983 te China. Ik heb een foto van mijzelf opgestuurd aan de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst). [Betrokkene 1] heeft mij zijn aanvraagformulieren gegeven. Hij heeft mij eigenlijk geholpen. [Betrokkene 1] was al in China en toen kwam de pardonregeling. Hierop heb ik mijn foto ingestuurd op naam van [betrokkene 1]. Hij wist hier wel van. Hij zei dat hij niet meer uit China kon, dus kon ik gebruik maken van zijn gegevens. Ik heb hier ongeveer 5.000 euro voor betaald.
2. Een kopie conform origineel geschrift, gevoegd als bijlage, blz. 87, bij proces-verbaalnummer PL15762010123071-1. Het houdt, onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 87):
STIL Pardonloket, Antonius Matthaeuslaan 83, 3515 AP Utrecht.
Machtiging Aanmelden Generaal Pardon
Hierbij geeft ondergetekende, [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum]-1983 te China,
IND-nummer [001],
toestemming aan STIL om, in het kader van het generaal pardon,
meneer/mevrouw aan te melden voor het generaal pardon.
Plaats: Utrecht.
3. Een geschrift, gevoegd als bijlage , blz. 101, bij procesverbaalnummer PL1576 2010123071-1, te weten een brief d.d. 9 juli 2008, geschreven te Zevenaar, van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gericht aan [betrokkene 1] te Utrecht. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 101):
In het kader van de regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude vreemdelingenwet, zoals bedoeld in WBV 2007/11, is ambtshalve getoetst of u voldoet aan de voorwaarden die gelden om voor deze regeling in aanmerking te komen.
Uit de gegevens die mij bekend zijn, is gebleken dat u hieraan voldoet en op basis hiervan in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. U komt derhalve in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met ingang van 15 juni 2007, geldig tot 15 juni 2008, onder gelijktijdige verlening van een vergunning voor voortgezet verblijf voor de duur van vijf jaar, geldig tot 15 juni 2013.
4. Een geschrift, zijnde een aangifte door Ministerie van Justitie Immigratie- en Naturalisatiedienst, d.d. 13 april 2010, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], medewerker Bijzonder Onderzoek. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 35 - 37):
Op 29 juni 1999 diende een vreemdeling onder de naam [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1983, van Chinese nationaliteit, een aanvraag in tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter verkrijging van een bij de verblijfsvergunning in het kader van de Pardonregeling behorend verblijfsdocument ging de op 9 juli 2008 aan de vreemdeling [betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1983, gezonden aanbiedingsbrief vergezeld van een fotokaart. Deze diende door de betrokken vreemdeling te worden ingevuld en, voorzien van diens goed gelijkende pasfoto en handtekening, te worden teruggezonden aan de IND. Op 23 juli 2008 werd de fotokaart retour ontvangen, voorzien van een pasfoto en handtekening. Bij een vergelijkend onderzoek van de op deze fotokaart bevestigde pasfoto met de in het verleden van de vreemdeling [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1983 in het kader van diens asielaanvraag vervaardigde pasfoto's, bleek dat deze foto's niet overeen kwamen. De conclusie van het onderzoek door deskundigen van het Bureau Documenten van de IND luidt, dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de in het kader van de asielaanvraag van de vreemdeling [betrokkene 1] gemaakte pasfoto's niet dezelfde persoon tonen als de persoon op de pasfoto op de fotokaart, welke door een zich [betrokkene 1] noemende vreemdeling, in het kader van de Pardonregeling werd geretourneerd. Doordat deze betrokkene zich voor [betrokkene 1] uitgaf en daartoe een valse naam aannam, werd onze organisatie bewogen tot afgifte van een vergunning tot verblijf in Nederland, met alle rechten die daaraan verbonden zijn. In dezen heeft N.N. de voor de verkrijging van een verblijfsdocument benodigde fotokaart voorzien van een pasfoto welk een andere persoon toont dan de vreemdeling welke onder nr. [002] bij de IND bekend is onder de naam [betrokkene 1].
5. Een geschrift, zijnde een verklaring van onderzoek van bureau Documenten van Ministerie van Justitie Immigratie en Naturalisatiedienst (bijlage I bij het onder 2 genoemde geschrift) , d.d. 3 februari 2010, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2], gecertificeerd documentonderzoeker bij bureau Documenten van de IND. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 38 t/m 43):
Foto 1 betreft een pasfoto d.d. 04-05-2003. Foto 2 betreft een pasfoto d.d. 04-06-2004. Foto 3 betreft een pasfoto d.d. 10-09-2008. Deze foto's betreffen telkens een vreemdeling met v-nummer [002]. De bevindingen van het onderzoek geven veel steun aan de hypothese dat de persoon, afgebeeld op foto 1 wel dezelfde persoon is als de persoon welke afgebeeld staat op foto 2. De bevindingen van het onderzoek geven enige steun aan de hypothese dat de persoon, afgebeeld op foto 3 niet dezelfde persoon is als de personen welke afgebeeld staan op foto 1 en 2.
6. Een geschrift, zijnde een kopie van een Bijlage Fotokaart van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (bijlage II bij het onder 2 genoemde geschrift). Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 49):
Een Bijlage Fotokaart van de Immigratie en naturalisatiedienst, waarop de gegevens van [betrokkene 1] staan, het v-nummer [002] en waarop een pasfoto is toegevoegd en voorzien van een handtekening."
11. De als bewijsmiddel 3 tot het bewijs gebezigde passage van de brief van de IND houdt weliswaar in dat de geadresseerde in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, maar daaruit kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat de brief ook daadwerkelijk een (definitieve beslissing omtrent het afgeven van een) verblijfsvergunning behelst.(3) Uit de overige bewijsmiddelen kan evenmin volgen dat door de IND een verblijfsvergunning is afgegeven.
12. Het middel slaagt.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 17 april 2012, LJN BV9064, NJ 2012, 267, waarin de Hoge Raad oordeelde dat credits voor beltegoed vatbaar zijn voor toe-eigening en dus voorwerp kunnen zijn van verduistering in de zin van art. 321 SrPro en van heling als bedoeld in de artt. 416bis en 417 Sr.
2 In deze zaak, waarin geen middelen werden ingediend, wierp de A-G Meijers ambtshalve de vraag op of een beschikking van de rechtbank als een goed in de zin van art. 326 SrPro is aan te merken. Hij was van oordeel dat dit zonder twijfel het geval was. De Hoge Raad oordeelde geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.
3 Dat de brief van de IND geen definitieve beslissing omtrent het toekennen van een verblijfsvergunning inhoudt vindt - naar een blik achter de papieren muur leert - steun in de overige inhoud van deze brief, waaruit volgt dat geadresseerde pas in aanmerking komt voor een vergunning als aan nog drie noodzakelijke vereisten is voldaan, en de nadere toets aan de voorwaarden van de regeling geen belemmeringen oplevert.