ECLI:NL:PHR:2013:CA1721

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13/01119
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 407 lid 2 Rv.
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gezamenlijke schuld bij echtscheiding volgens huwelijkse voorwaarden

In deze zaak ging het om de verdeling van een gezamenlijke schuld bij de ING Bank na echtscheiding. De rechtbank 's-Gravenhage had bepaald dat beide partijen ieder de helft van de schuld moesten dragen. Het gerechtshof bevestigde dit oordeel in hoger beroep, waarbij het oordeelde dat de vrouw voldoende had toegelicht dat de geleende gelden waren gebruikt voor huishoudelijke kosten. De man stelde dat de vrouw de gelden had gebruikt voor haar gokverslaving, maar dit werd onvoldoende onderbouwd.

Het hof oordeelde voorts dat de man achteraf alsnog had ingestemd met het sluiten van de geldleningsovereenkomst, waardoor bewijsaanbod over de handtekening op de leningsakte niet relevant was. De man stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest, maar de Hoge Raad verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a lid 1 RO. De klachten van de man voldeden niet aan de vereisten voor cassatie en waren gericht tegen feitelijke oordelen die aan de feitenrechter zijn voorbehouden.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad onderschreef deze niet-ontvankelijkheid. Hierdoor bleef het oordeel van het hof dat de gezamenlijke schuld gelijkelijk moet worden gedragen door beide partijen ongewijzigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het hofarrest blijft gelden.

Conclusie

Zaak 13/01119
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 24 mei 2013
Conclusie (art. 80a RO) inzake:
[de man]
(de man)
tegen
[de vrouw]
(de vrouw)
1. De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 24 april 2012 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en - voor zover thans van belang - bepaald dat ieder van partijen de helft zal dragen van de gezamenlijke schuld bij de ING Bank. Bij beschikking van 5 december 2012 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage deze beschikking, op het door de man daarvan ingestelde hoger beroep, bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man tijdig cassatie ingesteld.
2. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, nu zij hetzij niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro., hetzij zijn gericht tegen aan de feitenrechter voorbehouden oordelen, hetzij feitelijke grondslag missen.
Daartoe geldt het volgende. Het hof heeft geoordeeld dat de schuld bij de ING-bank door beide partijen moet worden gedragen omdat de vrouw genoegzaam heeft toegelicht dat de geleende gelden zijn gebruikt voor de betaling van kosten van huishouding en de man onvoldoende heeft gesteld om in redelijkheid te kunnen vaststellen dat de vrouw de geleende gelden heeft gebruikt voor haar gokverslaving. Deze oordelen zijn feitelijk en niet onbegrijpelijk. Nu niet aan de stelplicht is voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
Het hof heeft voorts op grond van de in rechtsoverweging 13 van zijn beschikking opgesomde omstandigheden feitelijk geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat de man in ieder geval achteraf alsnog moet hebben ingestemd met het sluiten van de geldleningsovereenkomst. Het bewijsaanbod met betrekking tot de op de leningsakte geplaatste handtekening is daarmee niet ter zake dienend, waarbij komt dat het hof - anders dan het middel impliceert - de (handtekening op de) leningsakte niet als bewijs in zijn oordeel heeft betrokken.
3. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de man in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G