ECLI:NL:PHR:2013:CA1721
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling gezamenlijke schuld bij echtscheiding volgens huwelijkse voorwaarden
In deze zaak ging het om de verdeling van een gezamenlijke schuld bij de ING Bank na echtscheiding. De rechtbank 's-Gravenhage had bepaald dat beide partijen ieder de helft van de schuld moesten dragen. Het gerechtshof bevestigde dit oordeel in hoger beroep, waarbij het oordeelde dat de vrouw voldoende had toegelicht dat de geleende gelden waren gebruikt voor huishoudelijke kosten. De man stelde dat de vrouw de gelden had gebruikt voor haar gokverslaving, maar dit werd onvoldoende onderbouwd.
Het hof oordeelde voorts dat de man achteraf alsnog had ingestemd met het sluiten van de geldleningsovereenkomst, waardoor bewijsaanbod over de handtekening op de leningsakte niet relevant was. De man stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest, maar de Hoge Raad verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a lid 1 RO. De klachten van de man voldeden niet aan de vereisten voor cassatie en waren gericht tegen feitelijke oordelen die aan de feitenrechter zijn voorbehouden.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad onderschreef deze niet-ontvankelijkheid. Hierdoor bleef het oordeel van het hof dat de gezamenlijke schuld gelijkelijk moet worden gedragen door beide partijen ongewijzigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het hofarrest blijft gelden.