2.5 Met betrekking tot de hiervóór (onder 2.4) weergegeven stelling onder a) merk ik op dat het genoemde, vrij te laten bedrag van € 2.229,85 per maand, anders dan de vrouw kennelijk veronderstelt, niet het bedrag is dat ter vrije besteding van de man zou staan nadat hij een bedrag van € 136,- per maand per kind zou hebben betaald ("dat het besteedbaar netto inkomen van de man, en dat van zijn partner (...), dan nog steeds € 2.229,85 per maand bedraagt"), en dat voorts onjuist is dat uit dat bedrag "dus" zou kunnen worden afgeleid dat de man meer dan € 136,- per maand per kind (en zelfs € 247,- per maand per kind) kan betalen en dan nog steeds over voldoende draagkracht beschikt om aan zijn overige verplichtingen te voldoen, met inbegrip van de aflossing van zijn schulden. Het bedoelde bedrag is berekend, uitgaande van de beslagvrije voet, met daarop als belangrijkste opslag het voor een kinderalimentatie van € 136,- per maand per kind benodigde totaalbedrag van € 408,-. Het berekende bedrag is niet het netto besteedbare bedrag dat de man zou overhouden na aan een alimentatieplicht van € 136,- per maand per kind te hebben voldaan, maar het netto bedrag waarover de man minimaal zou moeten beschikken om, naast in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, óók in de bedoelde alimentatieplicht te kunnen voorzien. Dat de man uit het bedoelde bedrag ook in de aflossing van zijn schulden zou kunnen voorzien, is al evenzeer onjuist; het berekende bedrag is een vrij te laten bedrag, wat impliceert dat slechts meerdere inkomsten ruimte voor zodanige aflossing zouden bieden.
Wat betreft de stelling onder b) geldt dat het genoemde inkomen van € 2.000,- netto per maand minder bedraagt dan het onder a) bedoelde vrij te laten bedrag, wat (althans volgens de betrokken berekening) impliceert dat draagkracht voor een alimentatie van € 136,- per maand per kind evenmin (ten volle) aanwezig is. Het inkomen van de echtgenote van de man (volgens het bij het inleidende verzoek overgelegde overzicht van inkomsten en uitgaven € 75,-) doet daaraan niet af. Tegenover de stelling dat de man zijn schulden onvoldoende heeft aangetoond, staat dat uit de door de man in eerste aanleg bij het inleidende verzoekschrift overgelegde brief van Claimcare van 22 november 2010 blijkt dat de restschuld van de man na verkoop van de hypothecair verbonden woning per 1 november 2010 in hoofdsom € 65.228,09 bedraagt, en dat blijkens een eveneens bij dat verzoekschrift overgelegde brief van Hollandsche Incasso Maatschappij van 25 oktober 2010 sprake is van een naar € 20.250,- verlaagde kredietlimiet (bij een debetsaldo van € 35.532,68 per 31 maart 2010). Het schuldenoverzicht van [A], dat evenals de beide hiervoor genoemde stukken bij het inleidende verzoekschrift is overgelegd, vermeldt ter zake van dit laatste een schuld van € 20.250,-, naast nog enkele andere schulden van in totaal ruim € 11.000,-. Deze gegevens bieden voldoende steun aan de verklaring van de advocaat van de man bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof op 3 mei 2012 (proces-verbaal, p. 2), volgens welke de schulden van de man in totaal € 103.000,- zouden bedragen.
Dat de man onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij in financiële problemen is geraakt, zoals gesteld onder c), wordt voldoende weerlegd door hetgeen de man heeft gesteld over zijn inspanningen om tot schuldsanering te geraken.
Of de rechtbank, zoals gesteld onder d), reeds met enkele schulden rekening heeft gehouden toen de alimentatie op € 247,- per kind per maand werd vastgesteld, is slechts van belang voor het zich al dan niet voordoen van een wijziging van omstandigheden. Dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, heeft het hof in de rov. 7-8 in cassatie onbestreden aangenomen. Bij die stand van zaken diende het hof de draagkracht van de man opnieuw te bepalen, waarbij niet ter zake doet of de daarbij in aanmerking te nemen schulden al dan niet reeds in aanmerking waren genomen bij de vaststelling van de alimentatie waarvan wijziging wordt verzocht.
Dat de man, zoals gesteld onder e), heeft verklaard dat hij veel schulden heeft afgelost (€ 25.000,-) en niet weet op welke schulden thans wel en niet afgelost wordt en hoe hoog deze schulden zijn, doet niet af aan het bestaan van substantiële (rest)schulden, die bij de bepaling van de draagkracht van de man in aanmerking dienen te worden genomen.
Dat, zoals onder f) gesteld, het hof blijkens het proces-verbaal van 3 mei 2012 (p. 3) heeft opgemerkt ("Verder hoor ik het hof zeggen (...)") dat in het bij de berekening van de schuldhulpverleningsinstantie behorende overzicht van inkomsten en uitgaven bij de uitgaven een post voor kinderalimentatie van € 821,- is opgenomen en dat de man volgens zijn eigen berekening de kinderalimentatie zou moeten kunnen betalen, maakt het uiteindelijke oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. De post kwam voor op een overzicht van inkomsten en uitgaven, dat blijkens bijlage 1 bij de brief namens de man aan de rechtbank van 30 juli 2011 (althans op het punt van de daarop vermelde inkomensgegevens) al weer was achterhaald. Voorts is op dat overzicht géén rekening gehouden met de schulden, de beoogde schuldsanering en op het inkomen van de man inmiddels rustende loonbeslagen. Ten slotte doet het bedoelde overzicht niet af aan de berekening van een (bij een kinderalimentatie van € 136,- per maand per kind) vrij te laten bedrag van € 2.229,85.