ECLI:NL:PHR:2013:CA1727

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/01990
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatie wegens onvoldoende gemotiveerde middelen inzake ontbindende voorwaarde in ontwikkelingsovereenkomst

Partijen zijn overeengekomen gezamenlijk een gebied in Hedel te herontwikkelen en hebben daartoe een overeenkomst gesloten waarin onder meer een ontbindende voorwaarde is opgenomen voor het geval de eigendommen van een derde niet konden worden verworven.

Verweerster heeft terugbetaling van geleende gelden gevorderd, stellende dat de overeenkomst is ontbonden vanwege het intreden van de ontbindende voorwaarde. De rechtbank wees de vordering toe, het hof bevestigde dit oordeel en verduidelijkte de uitleg van de ontbindende voorwaarde.

Eisers stelden in cassatie meerdere middelen aan de orde die onder meer onbegrijpelijkheid van het hofsoordeel en onterecht passeren van bewijsaanbod betroffen. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen onvoldoende gemotiveerd waren en niet voldeden aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk werd verklaard.

De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de cassatiemiddelen niet met de vereiste precisie en bepaaldheid waren toegelicht en dat voortbouwende klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Hierdoor blijft het arrest van het hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende gemotiveerde middelen.

Conclusie

12/01990
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 24 mei 2013
CONCLUSIE inzake:
1) [eiser 1],
2) Nationaal en Internationaal Belgica Distributiecentrum B.V.,
eisers tot cassatie,
advocaat: mr. M.L. Kleyn,
tegen:
[verweerster],
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 Partijen zijn overeengekomen gezamenlijk het gebied Molendijk/Korenstraat te Hedel in herontwikkeling te brengen. In dat kader hebben zij een overeenkomst gesloten, die op 4 juni 2008 schriftelijk is vastgelegd. Ingevolge de overeenkomst heeft verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]), gelden geleend aan eisers tot cassatie (hierna: [eisers]), teneinde [eisers] in staat te stellen gronden te kopen ten behoeve van de bedoelde herontwikkeling.
1.2 In de overeenkomst is in art. 4 bepaald Pro dat voor het welslagen van het ontwikkelingsplan noodzakelijk is dat ook de eigendommen van ene [betrokkene] worden aangekocht en dat daarvoor maximaal een investering van € 3.000.000 nodig zal zijn. In art. 5 onder Pro a van de overeenkomst is een ontbindende voorwaarde opgenomen, inhoudende dat de overeenkomst wordt ontbonden als de eigendommen van [betrokkene] niet kunnen worden verworven.
1.3 [verweerster] heeft, kort samengevat, terugbetaling van de aan [eisers] uitgeleende bedragen gevorderd tot een bedrag van € 666.500, vermeerderd met rente en kosten. [verweerster] heeft zich daarbij beroepen op het ontbonden zijn van de overeenkomst, onder meer vanwege het intreden van de ontbindende voorwaarde van art. 5 onder Pro a van de overeenkomst.(1) De rechtbank heeft in haar vonnis van 23 juni 2010 de vordering van [verweerster] toegewezen tot een bedrag in hoofdsom van € 658.000, vermeerderd met rente en kosten en de reconventionele vordering van [eisers] afgewezen.(2)
1.4 Op het hoger beroep van [eisers] heeft het hof in zijn arrest van 8 november 2011 geoordeeld dat de ontbindende voorwaarde van art. 5 onder Pro a zo moet worden uitgelegd dat deze zou intreden als niet 21.000m2 grond van [betrokkene] zou kunnen worden gekocht voor een prijs van (maximaal) € 3.000.000 (rov. 4.9). Voorts heeft het hof geoordeeld dat, anders dan [eisers] stellen, niet kan worden gezegd dat [verweerster] heeft bewerkstelligd dat deze voorwaarde is ingetreden (rov. 4.10). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.5 [eisers] hebben tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld. Tegen [verweerster] is verstek verleend. [eisers] hebben hun standpunten nog schriftelijk toegelicht.
1.6 Middel I klaagt over onbegrijpelijkheid van 's hofs oordeel (in rov. 4.9) dat [eisers] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist de stellingen van [verweerster] (i) dat partijen in art. 4 van Pro de overeenkomst uitgingen van 21.000m2 grond van [betrokkene] voor een (maximum)prijs van € 3.000.000, en (ii) dat de exploitatiebegroting eveneens van genoemd aantal vierkante meters tegen genoemde prijs uitging. Daaruit volgt, aldus het middel, dat 's hofs uitleg van de ontbindende voorwaarde van art. 5 onder Pro a onbegrijpelijk is. Eveneens onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat [eisers] hebben miskend dat zij de exploitatieopzet als onderdeel van het overeengekomene hebben aanvaard. Middel II klaagt dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van [eisers] heeft gepasseerd, doordat het hof zijn beslissing te dienaangaande heeft doen steunen op onbegrijpelijke feitelijke vaststellingen en/of oordelen en/of doordat het hof die beslissing niet naar behoren heeft gemotiveerd. Middel III klaagt dat het hof zijn oordeel (in rov. 4.11) dat het beroep van [verweerster] op de aldaar bedoelde ontbindende voorwaarde onder c opgaat, op onjuiste gronden heeft doen steunen, althans heeft doen steunen op gronden die het oordeel niet kunnen dragen.
1.7 In deze middelen is verzuimd met bepaaldheid en precisie uiteen te zetten waarom 's hofs aangevallen oordelen onbegrijpelijk of onjuist zijn. De middelen zijn uitsluitend gemotiveerd in de schriftelijke toelichting. De middelen voldoen daarmee niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro aan een cassatiemiddel te stellen eisen.(4)
1.8 Middel IV behelst slechts een voortbouwende klacht en kan niet tot cassatie leiden.
1.9 Nu geen middel is aangevoerd dat voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro, strekt de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in hun beroep.(5)
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Rov. 4.1 van het arrest van het hof Arnhem van 8 november 2011.
2 Rov. 4.3 van het arrest van het hof Arnhem van 8 november 2011.
3 De cassatiedagvaarding is op 7 februari 2012 uitgebracht.
4 HR 5 november 2010, LJN: BN6196, NJ 2013/124, JBPr 2011/6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes; HR 19 februari 1999, LJN: ZC2856, NJ 1999/428 m.nt. ARB. Zie voorts de noot van W.D.H. Asser onder HR 6 juni 2003, LJN:AF5889, NJ 2003/707 (onder 8).
5 HR 8 februari 2013, LJN: BY2639, NJ 2013, 125.