ECLI:NL:PHR:2013:CA1968
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen afwijzing toelating schuldsaneringsregeling
Verzoekster tot cassatie had primair gevraagd om crediteuren te dwingen in te stemmen met een schuldregeling en subsidiair om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank wees beide verzoeken af omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden, en dat zij de verplichtingen uit de regeling zou nakomen. Het hof bekrachtigde deze afwijzingen.
In cassatie werd alleen het oordeel van het hof bestreden dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt te goeder trouw te zijn geweest. Het tweede, zelfstandige oordeel van het hof dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt de verplichtingen na te komen, werd niet bestreden. Hierdoor blijft het arrest van het hof in stand, ook als het eerste oordeel in cassatie zou worden verworpen.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep klaarblijkelijk geen doel treft en verklaart het niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a lid 1 RO. Dit betekent dat het besluit van het hof tot afwijzing van de toelating tot de schuldsaneringsregeling definitief is.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.