ECLI:NL:PHR:2013:CA2546

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/04577
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 SvArt. 328 SvArt. 330 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing arrest bedreiging en beschadiging eigendom wegens verzuim beslissing getuigenverzoek

Verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven en het opzettelijk beschadigen van eigendom. De straf bestond uit een werkstraf van 150 uren, met een voorwaardelijke hechtenis van 75 dagen, waarvan 50 uren en 25 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten gunste van de benadeelde partij.

In hoger beroep stelde de verdediging vier middelen van cassatie voor. Het vierde middel klaagde dat het hof had nagelaten een uitdrukkelijke beslissing te nemen op het verzoek tot het horen van een getuige, gedaan tijdens de zitting in hoger beroep. Dit verzoek was subsidiair ingediend en had betrekking op verklaringen die mogelijk betrokkenheid van verdachte bij de feiten konden aantonen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit verzoek had moeten behandelen en dat het nalaten daarvan nietigheid tot gevolg heeft volgens de artikelen 315, 328, 330 en 415 van het Wetboek van Strafvordering. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij het verzoek tot het horen van de getuige alsnog moet worden beoordeeld.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het niet nemen van een uitdrukkelijke beslissing op het getuigenverzoek en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 11/04577
Mr. Vegter
Zitting: 21 mei 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem bij arrest van 23 augustus 2011 wegens 1. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" en 2. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subs. 75 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subs. 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is er een beslissing omtrent de vordering benadeelde partij genomen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
2. Namens verdachte heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het vierde middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd om een uitdrukkelijke beslissing te nemen op het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot het horen van getuige [getuige 1].
4. Uit de pleitnota die ter terechtzitting van het Hof van 11 augustus 2011 is overgelegd en aan het proces-verbaal van die zitting is gehecht, blijkt dat een verzoek tot het horen van getuige [getuige 1] is gedaan. Dat verzoek is subsidiair gedaan en wel voor zover het Hof van oordeel is dat in het dossier, in het bijzonder de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1], aanknopingspunten te vinden zijn voor betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten. Die aanknopingspunten heeft het Hof gevonden. Bewijsmiddel 1 is immers een verklaring van [getuige 2] en bewijsmiddel 2 bevat een verklaring van [getuige 1]. Aldus is een verzoek gedaan als bedoeld in art. 315 Sv Pro in verbinding met art. 328 Sv Pro tot het horen van een getuige, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op dit verzoek. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv Pro in verbinding met art. 415 Sv Pro nietigheid tot gevolg.(1) Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
5. Bij die stand van zaken zie ik thans geen aanleiding om de middelen 1 t/m 3 te onderzoeken dan wel te speuren naar gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen. Indien de Hoge Raad daartoe aanleiding ziet, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 18 januari 2005, LJN AR2425, NS 2005/61; HR 24 juni 2008, LJN BD0429; HR 3 januari 2012, LJN BU2901.