ECLI:NL:PHR:2013:CA3737

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13/01967
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 49 lid 5 Wet BopzArt. 426a RvArt. 426 lid 1 RvArt. 384 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieverzoek inzake machtiging voortgezet psychiatrisch verblijf

De rechtbank te Utrecht verleende op 26 juli 2012 een machtiging voor voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Betrokkene verzocht op 3 september 2012 om ontslag, dat door de geneesheer-directeur werd geweigerd. Vervolgens wendde betrokkene zich tot de officier van justitie, die op grond van art. 49 lid 5 Wet Pro Bopz de beslissing van de rechtbank verzocht. Op 29 november 2012 wees de rechtbank het ontslagverzoek af en verwierp de bezwaren van betrokkene tegen de eerdere beschikking.

Betrokkene diende op 22 maart 2013 een cassatieverzoek in bij de Hoge Raad, maar dit verzoekschrift was niet ondertekend door een advocaat die bij de Hoge Raad is ingeschreven, zoals vereist volgens art. 426a Rv. Betrokkene kreeg de gelegenheid dit te herstellen, maar deed dit niet. Daarnaast was de cassatietermijn overschreden. Daarom kon betrokkene niet in zijn cassatieverzoek worden ontvangen.

Betrokkene probeerde later via een brief van 23 mei 2013 een herzieningsverzoek in te dienen, maar het burgerlijk procesrecht kent geen herzieningsprocedure bij de Hoge Raad. Dit verzoek werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeken.

Uitkomst: Het cassatieverzoek en het herzieningsverzoek worden niet-ontvankelijk verklaard wegens procedurele tekortkomingen.

Conclusie

13/01967
Mr. F.F. Langemeijer
31 mei 2013 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. De rechtbank te Utrecht heeft op 26 juli 2012 een machtiging verleend voor de duur van één jaar tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Op 3 september 2012 heeft betrokkene aan de geneesheer-directeur ontslag uit het ziekenhuis verzocht, al dan niet voorwaardelijk te verlenen. Op 6 september 2012 heeft de geneesheer-directeur dit geweigerd, waarna betrokkene zich tot de officier van justitie heeft gewend. Deze heeft op de voet van art. 49 lid 5 Wet Pro Bopz de beslissing van de rechtbank verzocht.
2. Bij beschikking van 29 november 2012 heeft de rechtbank te Utrecht het ontslagverzoek afgewezen en tevens de bezwaren die betrokkene had aangevoerd tegen de beschikking van 26 juli 2012 verworpen.
3. Bij verzoekschrift ("cassatie beroep schriftuur" d.d. 22 maart 2013), ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 17 april 2013, heeft betrokkene bezwaren ingebracht tegen de genoemde beschikking van 29 november 2012. Omdat het verzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals art. 426a Rv voorschrijft, is betrokkene in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen veertien dagen te doen herstellen(1). Herstel is uitgebleven. Reeds om die reden kan betrokkene in zijn cassatieverzoek niet worden ontvangen. Bovendien is de cassatietermijn overschreden; zie art. 426 lid 1 Rv Pro. M.i. kan toepassing worden gegeven aan art. 80a lid 1 RO.
4. Bij brief van 23 mei 2013 heeft een advocaat (niet zijnde advocaat bij de Hoge Raad) namens betrokkene een zogenoemd "herzieningsverzoek" aan de Hoge Raad toegezonden(2), met mededeling dat betrokkene zijn verzoek verder behandeld wenst te zien als een herzieningsverzoek.
5. Anders dan het Wetboek van Strafvordering (in de artikelen 457 e.v., die verzoeker kennelijk voor ogen hebben gestaan), kent het burgerlijk procesrecht niet het buitengewone rechtsmiddel van 'herziening' via een procedure bij de Hoge Raad. Daarom is ook het verzoek om herziening niet-ontvankelijk(3).
6. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeken.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Vgl. HR 14 december 2012 (LJN: BY2239), NJ 2013/27; HR 10 juli 2009 (LJN: BI0773), NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders. Het onderhavige verzoekschrift is mede ondertekend door een advocaat, niet zijnde advocaat bij de Hoge Raad (zie art. 9j Advocatenwet).
2 Dit is, op de datum en de slotalinea na, inhoudelijk gelijk aan het eerdere cassatieverzoek.
3 Indien betrokkene van mening zou zijn dat er gronden zijn voor 'herroeping' van de beschikkingen van 26 juli 2012 of 29 november 2012, wijst art. 384 in Pro verbinding met art. 391 Rv Pro hem de weg, namelijk naar de rechtbank Midden-Nederland. Evenwel verdient aandacht dat dan door de rechtbank zal worden beoordeeld of de aard van de beschikking zich tegen herroeping verzet, in de zin van art. 390 Rv Pro. Zie daarover: Th.B. ten Kate en M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken, 2005, blz. 31 - 33.