ECLI:NL:PHR:2013:CA3737
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieverzoek inzake machtiging voortgezet psychiatrisch verblijf
De rechtbank te Utrecht verleende op 26 juli 2012 een machtiging voor voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Betrokkene verzocht op 3 september 2012 om ontslag, dat door de geneesheer-directeur werd geweigerd. Vervolgens wendde betrokkene zich tot de officier van justitie, die op grond van art. 49 lid 5 Wet Pro Bopz de beslissing van de rechtbank verzocht. Op 29 november 2012 wees de rechtbank het ontslagverzoek af en verwierp de bezwaren van betrokkene tegen de eerdere beschikking.
Betrokkene diende op 22 maart 2013 een cassatieverzoek in bij de Hoge Raad, maar dit verzoekschrift was niet ondertekend door een advocaat die bij de Hoge Raad is ingeschreven, zoals vereist volgens art. 426a Rv. Betrokkene kreeg de gelegenheid dit te herstellen, maar deed dit niet. Daarnaast was de cassatietermijn overschreden. Daarom kon betrokkene niet in zijn cassatieverzoek worden ontvangen.
Betrokkene probeerde later via een brief van 23 mei 2013 een herzieningsverzoek in te dienen, maar het burgerlijk procesrecht kent geen herzieningsprocedure bij de Hoge Raad. Dit verzoek werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeken.
Uitkomst: Het cassatieverzoek en het herzieningsverzoek worden niet-ontvankelijk verklaard wegens procedurele tekortkomingen.