ECLI:NL:PHR:2013:CA3758
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bekrachtiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige
De moeder heeft bij de kinderrechter verzocht om opheffing van de ondertoezichtstelling en beëindiging van de uithuisplaatsing van haar minderjarige kind, maar dit verzoek werd op 6 december 2012 afgewezen. De machtiging tot plaatsing in pleegzorg werd verlengd tot 7 april 2013. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking, maar het hof Den Haag bekrachtigde op 6 februari 2013 het vonnis van de kinderrechter.
Tegen deze beslissing stelde de moeder beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Zij voerde zes middelen aan, waaronder klachten over de toetsing van de maatregelen aan wettelijke maatstaven, schending van het recht op hoor en wederhoor, en het ontbreken van onderzoek naar haar opvoedingsvaardigheden.
De Hoge Raad oordeelde dat geen van de middelen tot cassatie konden leiden. Het hof had de wettelijke maatstaven correct toegepast en geen schending van hoor en wederhoor vastgesteld. De overige middelen hadden geen betrekking op de bestreden beschikking of misten feitelijke grondslag. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van art. 80a RO.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard en de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing blijven in stand.