ECLI:NL:PHR:2013:CA3759
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige zonder schending hoor en wederhoor
In deze zaak heeft het hof Den Haag bij beschikking van 6 februari 2013 de beschikking van 7 september 2012 van de kinderrechter te Rotterdam bekrachtigd, waarbij een minderjarige voor de duur van één jaar onder toezicht is gesteld. De moeder van de minderjarige heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
De moeder voerde zes cassatiemiddelen aan, waaronder klachten over onvoldoende toetsing van de maatregelen door het hof, schending van het recht op hoor en wederhoor (art. 6 EVRM Pro), en het ontbreken van onderzoek naar haar opvoedingsvaardigheden. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Het hof had volgens de Hoge Raad wel degelijk de wettelijke maatstaven toegepast bij de toetsing van de maatregelen en er was geen sprake van schending van hoor en wederhoor. De overige middelen hadden geen betrekking op de bestreden beschikking of misten feitelijke grondslag. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard en de ondertoezichtstelling blijft in stand.