ECLI:NL:PHR:2013:CA3759

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13/02165
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige zonder schending hoor en wederhoor

In deze zaak heeft het hof Den Haag bij beschikking van 6 februari 2013 de beschikking van 7 september 2012 van de kinderrechter te Rotterdam bekrachtigd, waarbij een minderjarige voor de duur van één jaar onder toezicht is gesteld. De moeder van de minderjarige heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De moeder voerde zes cassatiemiddelen aan, waaronder klachten over onvoldoende toetsing van de maatregelen door het hof, schending van het recht op hoor en wederhoor (art. 6 EVRM Pro), en het ontbreken van onderzoek naar haar opvoedingsvaardigheden. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

Het hof had volgens de Hoge Raad wel degelijk de wettelijke maatstaven toegepast bij de toetsing van de maatregelen en er was geen sprake van schending van hoor en wederhoor. De overige middelen hadden geen betrekking op de bestreden beschikking of misten feitelijke grondslag. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard en de ondertoezichtstelling blijft in stand.

Conclusie

Zaak 13/02165
Mr. P. Vlas
Zitting, 14 juni 2013
Conclusie inzake art. 80a RO:
[de moeder]
(hierna: de moeder),
tegen
Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Rijnmond,
te Rotterdam
(hierna: de Raad)
1. Bij beschikking van 6 februari 2013 heeft het hof Den Haag de beschikking van 7 september 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam bekrachtigd, waarbij [de minderjarige] (hierna: de minderjarige), geboren op [geboortedatum] 2012, voor de duur van één jaar onder toezicht is gesteld. De moeder heeft tegen de beschikking van het hof (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.
2. In cassatie voert de moeder zes cassatiemiddelen aan. Deze klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Voor zover al aangenomen moet worden dat de middelen voldoen aan de daaraan te stellen eisen, geldt het volgende. Middel 1 klaagt - kort gezegd - dat het hof de gegrondheid van de genomen maatregelen niet heeft getoetst aan de daarvoor geldende wettelijke maatstaven. De klacht faalt, omdat het hof daarvan wel blijk heeft gegeven in rov. 8 t/m 11. Middel 2, waarin wordt geklaagd over schending van art. 6 EVRM Pro, faalt omdat van een schending van hoor en wederhoor geen sprake is. De middelen 3 t/m 5 klagen over schending van diverse procesrechtelijke voorschriften. Deze middelen falen, omdat zij geen betrekking hebben op de bestreden beschikking. In middel 6 wordt geklaagd dat het hof eraan is voorbijgegaan dat onderzoek had moeten worden gedaan naar de 'opvoedingsvaardigheden' van de moeder. Het middel mist feitelijke grondslag, nu het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op het rapport van de Raad van 25 augustus 2012 en onduidelijk is of de moeder wil meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek (rov. 9).
3. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G