ECLI:NL:PHR:2014:1057
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens te late indiening klaagschrift inzake beslag op vervoermiddel
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Middelburg waarin een klaagschrift op grond van artikel 1:37 van Pro de Algemene Douanewet werd afgewezen. Het geschil draait om de vraag of een schip als vervoermiddel kennelijk is ingericht om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken, en de afwijzing van een verzoek tot geldelijke tegemoetkoming op grond van artikel 33c lid 2 Sr.
De Hoge Raad herhaalt eerdere jurisprudentie omtrent het begrip vervoermiddel in de zin van de Algemene Douanewet en bevestigt dat het schip in kwestie een constructie bevatte die geschikt was om cocaïne ongezien te vervoeren. Dit rechtvaardigt het oordeel dat het schip kennelijk is ingericht om goederen aan het toezicht te onttrekken.
Ten aanzien van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verval van het schip aan de Staat niet leidt tot een onevenredige last voor klager, waarbij ook de draagkracht van klager moet worden betrokken.
Het cassatieberoep wordt echter niet inhoudelijk behandeld omdat het klaagschrift te laat is ingediend. De Hoge Raad stelt dat de termijn voor het indienen van de schriftuur op 28 februari 2013 afliep, terwijl de schriftuur pas op 1 maart 2013 werd ontvangen. De door de raadsman aangevoerde faxfoutmelding vormt geen verontschuldigbare omstandigheid. Hierdoor wordt klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep.
Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens te late indiening van de schriftuur.