ECLI:NL:PHR:2014:107

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2014
Publicatiedatum
10 maart 2014
Zaaknummer
14/00023
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid lokaalverbod in verzorgingstehuis en bewijsaanbod gepasseerd

De zaak betreft een lokaalverbod dat de stichting Vredewold op 16 oktober 2009 oplegde aan eiser nadat een incident plaatsvond in het verzorgingstehuis waar zijn moeder woonde. Eiser werd beschuldigd van dreigende taal, handtastelijkheid en gedwongen vasthouding van een medewerkster, waarop het verbod werd ingesteld. De voorzieningenrechter en het gerechtshof wezen de vorderingen van eiser af, waarbij het hof oordeelde dat eiser onvoldoende zijn stellingen had onderbouwd en het bewijsaanbod passeerde.

Eiser kwam in cassatie met het argument dat het hof ten onrechte zijn bewijsaanbod had gepasseerd, omdat hij zijn stellingen voldoende concreet had onderbouwd en het bewijs noodzakelijk was om de betwiste feiten te ontkrachten. De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht had geoordeeld dat het bewijsaanbod niet ter zake dienend was, omdat eiser onvoldoende had toegelicht waarom zijn gedrag geen aanleiding kon zijn voor het lokaalverbod.

De Hoge Raad stelde vast dat het cassatieberoep niet ontvankelijk was omdat de klachten niet konden leiden tot cassatie. Het hof had de motiveringsplicht en stelplicht correct toegepast, en het bewijsaanbod van eiser was onvoldoende concreet en niet gericht op het ontkrachten van de betwiste stellingen. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van het bewijsaanbod.

Conclusie

Zaaknummer: 14/00023
mr. Wuisman
Rolzitting: 28 februari 2014
CONCLUSIE inzake:
[eiser],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.H. Vermeulen,
tegen:
de stichting STICHTING VREDEWOLD,
verweerster in cassatie.

1.Voorgeschiedenis

1.1
Verweerster in cassatie (hierna: Vredewold) exploiteert een verzorgingstehuis. Op 16 oktober 2009 was daar de moeder van eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) woonachtig en zij is daar tot haar overlijden op 8 april 2011 woonachtig gebleven.
1.2
Op 16 oktober 2009 heeft in het verzorgingstehuis een incident plaatsgevonden tussen [eiser] en een medewerkster van het verzorgingstehuis, nadat hij had vastgesteld dat na een korte vakantie van zijn moeder op haar kamer niet meer aanwezig waren een stoffer en blik, een afdekkleed van de scootmobiel en een hometrainer. Naar aanleiding daarvan heeft Vredewold bij brief van diezelfde datum aan [eiser] het volgende medegedeeld:
“Wegens het uiten van dreigende taal, handtastelijkheid en gedwongen vasthouding van een medewerkster van (…) Vredewold is het niet meer mogelijk om u nog langer in ons verzorgingstehuis toe te laten. Wij verbieden u daarom vanaf heden de toegang tot 1 jaar in en om ons verzorgingstehuis (…). De politie en burgemeester zijn van ons besluit op de hoogte gebracht en er zal bij overtreding proces-verbaal tegen u worden opgemaakt wegens lokaalvredebreuk.”
1.3
Op vordering van [eiser] heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Groningen bij vonnis van 15 januari 2010 het door Vredewold aan [eiser] opgelegde lokaalverbod met ingang van 15 februari 2010 opgeheven.
1.4
In de onderhavige procedure vordert [eiser] dat voor recht wordt verklaard dat het door Vredewold op 16 oktober 2009 gegeven lokaalverbod onrechtmatig is geweest, alsmede dat Vredewold wordt veroordeeld tot het betalen van een in een schadestaatprocedure vast te stellen schadevergoeding. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Vredewold bij het opleggen van het lokaalverbod onzorgvuldig heeft gehandeld, onder meer omdat het verbod is gebaseerd op onjuiste feitelijke gronden en het verbod daarnaast gebrekkig en onjuist is gemotiveerd.
1.5
Bij vonnis van 8 augustus 2012 heeft de rechtbank Groningen de vorderingen van [eiser] afgewezen. Bij arrest van 17 september 2013 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.6
Het hof stelt voorop dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] schade heeft geleden door het lokaalverbod, indien dat is gebaseerd op een onterechte beschuldiging. Dan kan er worden gesproken van aantasting van [eiser] in zijn eer en goede naam (rov. 2.11 en 2.12). Of er sprake is van een onterechte beschuldiging, hangt, aldus het hof, af van wat er op 16 oktober 2009 is gebeurd. [eiser] geeft een andere lezing van wat er op die dag is gebeurd dan Vredewold. Uit een door de betrokken medewerkster afgelegde schriftelijke verklaring valt naar het oordeel van het hof af te leiden dat [eiser] de medewerkster op de gang op luide toon heeft bevolen voor een nieuwe stoffer en blik van zijn moeder zorg te dragen, haar vervolgens in haar kantoor heeft opgezocht en zijn bevel heeft herhaald, geen gevolg heeft gegeven aan haar verzoek haar kantoor te verlaten, haar in een hoek van het kantoor heeft geduwd en haar op korte afstand heeft toegeschreeuwd, waarbij hij met opgeheven armen voor haar stond, vervolgens in het appartement van zijn moeder tekeer ging en, tenslotte, de medewerkster bij haar vest heeft gegrepen toen zij het appartement passeerde (rov. 2.16). In rov. 2.17 zet het hof uiteen dat het relaas van de medewerkster op relevante punten wordt ondersteund door de schriftelijke verklaringen van andere medewerkers van het tehuis, en in rov. 2.19 overweegt het hof dat ook door [eiser] in het kort geding naar voren gebrachte stellingen op cruciale onderdelen steun bieden aan de stellingen van Vredewold over hetgeen zich op 16 oktober 2009 heeft afgespeeld.
1.7
Het hof overweegt vervolgens in de rechtsoverwegingen 2.20 en 2.21 het volgende:
“2.20 In het licht van de hiervoor besproken schriftelijke verklaringen van [betrokkene] en haar collega’s en van de oorspronkelijke eigen stellingen van [eiser] heeft [eiser] zijn nu ingenomen stellingen, dat hij niet heeft geschreeuwd naar [betrokkene], dat hij geen dreigende taal heeft gesproken en dat hij haar niet heeft vastgepakt volstrekt onvoldoende onderbouwd. Het hof acht het bepaald ongeloofwaardig dat [eiser], zoals hij stelt, [betrokkene] slechts (licht) heeft aangeraakt en dat toen haar vest langs één arm naar beneden gleed. Overigens was er voor [eiser] geen enkele gegronde reden om [betrokkene] ook maar aan te raken. Het hof acht het in het licht van alle verklaringen ook ongeloofwaardig dat [eiser], zoals hij stelt, niet met stemverheffing heeft gesproken. Dat het antwoord op de vraag of [eiser] dichtbij [betrokkene] heeft gestaan een kwestie van persoonlijke appreciatie is, zoals [eiser] stelt, heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft niet aangegeven op welke afstand van [betrokkene] hij stond toen hij in haar kantoor zijn stem tegen haar verhief. Naar het oordeel van het hof ligt het alleszins voor de hand dat de medewerkers van Vredewold, en [betrokkene] in het bijzonder, zich door dit gedrag van [eiser] bedreigd en geïntimideerd hebben gevoeld. Indien [eiser] wil betogen dat zij zich ten onrechte bedreigd hebben gevoeld, heeft hij dat betoog onvoldoende onderbouwd.
2.21
Nu [eiser] zijn stellingen over de gebeurtenissen op 16 oktober 2009 in het licht van hetgeen door Vredewold is aangevoerd, onvoldoende heeft onderbouwd, is hij in zijn stelplicht tekort geschoten. Aan een bewijsopdracht komt het hof dan ook niet toe. Het door [eiser] gedane bewijsaanbod wordt om die reden gepasseerd.”
1.8
[eiser] is van het arrest van het hof bij exploot van 17 december 2013 en daarmee tijdig in cassatie gekomen onder aanvoering van één cassatiemiddel.

2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2. 1 Het cassatiemiddel bevat één klacht die is gericht tegen het passeren door het hof van het door [eiser] gedane bewijsaanbod in rov. 2.21. Betoogd wordt dat het hof in die rechtsoverweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting:
“omdat het heeft miskend dat de motiveringsplicht ten aanzien van eigen stellingen samenvalt met de stelplicht, maar dat dit ten aanzien van de motiveringsplicht bij het weerspreken van stellingen van de wederpartij, waar het in casu om gaat, niet het geval is. Het is dan ook niet gerechtvaardigd dat [eiser] niet tot het bewijs van zijn stellingen is toegelaten op de grond dat hij zijn stelplicht heeft geschonden terwijl (i) [eiser] zijn stelling(en) wél heeft voorzien van een voldoende concreet en ter zake dienend bewijsaanbod – dat aan de daaraan te stellen eisen voldoet – en (ii) niet onmiddellijk duidelijk valt in te zien hoe [eiser] de betwiste stelling van Vredewold anders kan ontkrachten dan door het (doen) horen van getuigen. Van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen, kan niet worden gevergd dat zij, wil zij tot bewijs worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt.”
2.2
De klacht neemt tot uitgangspunt dat het in het onderhavige geval erom gaat om de stellingen van de wederpartij te weerspreken. Dit uitgangspunt is niet juist. Of de schadevordering van [eiser] toewijsbaar is hangt immers, in ieder geval primair, hiervan af of dat wat hij aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd tot toewijzing van de vordering kan leiden. Aan het slot van zijn memorie van grieven heeft [eiser] ook aangeboden al
zijnstellingen te bewijzen. Zijn die stellingen voldoende gemotiveerd door Vredewold bestreden – in casu mag daarvan worden uitgegaan –, dan dienen die stellingen te worden bewezen. Voor toelating tot bewijslevering bestaat echter geen aanleiding, indien de aan de vordering ten grondslag liggende stellingen niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. Bewijslevering is dan immers niet ter zake dienende. Bij de beantwoording van de vraag of een eisende partij voor toewijzing van zijn vordering voldoende heeft gesteld, kan mede in aanmerking worden genomen hetgeen de verwerende partij tegen de vordering en de grondslag daarvan heeft aangevoerd. Het hof acht hetgeen [eiser] ter onderbouwing van zijn schadevordering heeft aangevoerd onvoldoende in het licht van het goed gedocumenteerde verweer van Vredewold. In het licht van dat verweer had, zo is rov. 2.21 te begrijpen, [eiser] meer concreet en gedetailleerd moeten aangeven waarom zijn gedrag op 16 oktober 2009 voor Vredewold geen aanleiding heeft kunnen zijn om hem te beschuldigen van het gedrag waarvan Vredewold is uitgegaan bij het opleggen van het lokaalverbod.
2.3
De eerste grond voor de bewering dat het niet gerechtvaardigd is om [eiser] niet toe te laten tot het leveren van bewijs van zijn stellingen, te weten dat hij zijn stelling(en) wél heeft voorzien van een voldoende concreet en ter zake dienend bewijsaanbod, kan hem niet baten. Het hof heeft zich niet er over uitgelaten of het bewijsaanbod van [eiser] wel of niet voldoende concreet was. Het hof heeft wel, zoals hiervoor in 2.2 al uiteengezet, geoordeeld dat het bewijsaanbod van [eiser] niet ter zake dienend is. Bestrijding van dat oordeel vereist dat uiteen wordt gezet waarom dat oordeel rechtens onjuist is of niet voldoende is gemotiveerd. Het een noch het ander gebeurt.
2.4
Ook de tweede grond voor de bewering dat het niet gerechtvaardigd is om [eiser] niet toe te laten tot het leveren van bewijs van zijn stellingen, te weten dat niet onmiddellijk duidelijk valt in te zien hoe [eiser] de betwiste stelling(en) van Vredewold anders kan ontkrachten dan door het (doen) horen van getuigen, levert [eiser] niet het gewenste resultaat op. In rov. 2.21 is immers niet aan de orde het ontkrachten van de betwiste stelling(en) van Vredewold.
2.5
Uit het voorgaande volgt dat de klachten, die in het aangevoerde cassatiemiddel besloten liggen, klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Het cassatieberoep komt daardoor in aanmerking om op de voet van artikel 80a Ro. niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.Conclusie

Geconcludeerd wordt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden